Mungolian Jetset - Schlungs
(Smalltown supersound / Sonic Rendezvous)

Ik was niet echt te spreken over de remix-verzamelaar die het duo Pål
"Strangefruit" Nyhus en Knut Sævik oftewel Mungolian Jetset in 2009
maakten. Maar wellicht dat deze tweede eigen plaat met de melige titel
Schlungs uitzicht op verbetering biedt. Aan pretenties ontbreekt het
niet bij dit Noorse koppel dat zich presenteert als prog-disco band. Ze
laten de plaat beginnen met 2011 - A Space Woodysey en gooien
vrolijk Also Sprach Zarathustra in de remix. De knipoog naar de
soundtrack van de film van Stanley Kubrick ligt er dubbeldik bovenop. Het
moet gezegd worden, ik vond de remix verzamelaar destijds nogal een bij
elkaar geraapt zooitje. Daar is op deze plaat verbetering in
gekomen.
Het spacey thema en psychedelische disco-house worden consequent doorgetrokken. Het tien minuten durende Moon Jocks N Prog Rock zet wat betreft de toon. Disco-beat, wat gesampelde blazers, een soul-achtige zanger erover, vocoder hier en daar en voilá, we hebben een hit? Gelukkig is dat niet zo want anders zou iedereen met een computer een succesvol artiest kunnen worden. De Mungolian Jetset speelt nadrukkelijk leentjebuur bij Basement Jaxx, maar weet op geen enkel moment te pakken zoals dat Britse duo. Maar laat ik niet te streng zijn, er is vooruitgang en het geheel is in ieder geval erg vrolijk. Met voldoende Mack bier achter uw kiezen kan het best gezellig worden. Beluister een voorproefje in de SoundCloud
Het spacey thema en psychedelische disco-house worden consequent doorgetrokken. Het tien minuten durende Moon Jocks N Prog Rock zet wat betreft de toon. Disco-beat, wat gesampelde blazers, een soul-achtige zanger erover, vocoder hier en daar en voilá, we hebben een hit? Gelukkig is dat niet zo want anders zou iedereen met een computer een succesvol artiest kunnen worden. De Mungolian Jetset speelt nadrukkelijk leentjebuur bij Basement Jaxx, maar weet op geen enkel moment te pakken zoals dat Britse duo. Maar laat ik niet te streng zijn, er is vooruitgang en het geheel is in ieder geval erg vrolijk. Met voldoende Mack bier achter uw kiezen kan het best gezellig worden. Beluister een voorproefje in de SoundCloud

(No Quarter / De Konkurrent)

Zijn er onderhand niet genoeg virtuoze folkgitaristen op de wereld? Nathan
Salsburg uit Louisville, Kentucky geeft met zijn debuutalbum luid en
duidelijk antwoord op deze vraag: nee. Folkliefhebbers die o.a. John Fahey
en Nick Drake in de kast hebben staan kunnen Affirmed blind
aanschaffen. Wat een feest. Zijn verbluffend knappe instrumentals doen hier
en daar erg aan die van Jim o’Rourke denken, al zijn ze iets
traditioneler. De fingerpicking-melodieën zijn behoorlijk
complex, maar de techniek zit het overbrengen van emotie geen moment in de
weg. Je hoort dat er lang aan de plaat gesleuteld is en toch klinkt elke
track soepel en relaxed. Echt zo’n plaat die met elke luisterbeurt
beter wordt.
Tussen de eigen composities staat één traditional van Shirley Collins: The False True Love, waarin hij ook zingt, bijgestaan door Julia Purcell en accordeonist Matthew Schreiber. Nathan Salsburg is muziekhistoricus en trakteert de luisteraars van enkele radiostations op pareltjes uit het Amerikaanse muzikale verleden. Het zal ons niet verbazend als zijn naam in de muziekgeschiedenisboeken van de toekomst een blijvend plekje gaat krijgen. Het slotnummer is hier te horen. Meer horen? Live op YouTube .
Tussen de eigen composities staat één traditional van Shirley Collins: The False True Love, waarin hij ook zingt, bijgestaan door Julia Purcell en accordeonist Matthew Schreiber. Nathan Salsburg is muziekhistoricus en trakteert de luisteraars van enkele radiostations op pareltjes uit het Amerikaanse muzikale verleden. Het zal ons niet verbazend als zijn naam in de muziekgeschiedenisboeken van de toekomst een blijvend plekje gaat krijgen. Het slotnummer is hier te horen. Meer horen? Live op YouTube .

(Chemikal Underground / De Konkurent)
Het in Glasgow gevestigde label Chemikal Underground mag dan een grote
professionele organisatie geworden zijn, het lijkt nog steeds een
vriendenclub. Het label is de spin in het web van de vruchtbare Schotse
scene. Soms levert dat mooie onverwachte samenwerkingen op. Ook
folkgitarist RM Hubbert lijkt iedereen te kennen. Hij heeft voor zijn
tweede plaat Thirteen Lost & Found een flink aantal muzikanten
uit de buurt uitgenodigd op zijn feestje (niet allemaal uit de Chemikal
stal). Aidan Moffat, voorheen zanger van Arab Strap, praat en zingt in
z’n kenmerkende volkse tongval het mooiste nummer Car Song.
Zangeres en gitariste Emma Pollock neemt Half Light voor haar
rekening. Daarnaast zijn er bijdragen van violist Luke Sutherland (Long Fin
Killie / Mogwai), banjospeler John Ferguson, Paul Savage (The Delgados),
Shane Connolly en Rafe Fitzpatrick. Alex Kapranos, gitarist bij Franz
Ferdinand, produceerde het geheel en speelde ook mee.
Bij liedje nummer vijf waan je je plots op een ander continent. Hier heeft zangeres Hanna Tuulikki de hoofdrol. Dat zij een Fins-Engelse achtergrond heeft zou je niet zeggen. Ze begeleidt zich op het traditionele Finse snaarinstrument de kantele. Net als haar zeer hoge stem klinkt het ding meer Chinees dan Fins. De prachtige plaat wordt afgesloten met een solonummer vol liefdesleed van folkveteraan Alasdair Roberts. Beluister Gus Am Bris An Latha in de SoundCloud .
Bij liedje nummer vijf waan je je plots op een ander continent. Hier heeft zangeres Hanna Tuulikki de hoofdrol. Dat zij een Fins-Engelse achtergrond heeft zou je niet zeggen. Ze begeleidt zich op het traditionele Finse snaarinstrument de kantele. Net als haar zeer hoge stem klinkt het ding meer Chinees dan Fins. De prachtige plaat wordt afgesloten met een solonummer vol liefdesleed van folkveteraan Alasdair Roberts. Beluister Gus Am Bris An Latha in de SoundCloud .

Onze favoriete platen van 2011

Onze favoriete platen van 2011-deel 2

De beste platen van 2011 door Sandra de Haan 1) Spinvis - Tot ziens, Justine Keller 2) Jason Forrest - The Everything 3) Shabazz Palaces - Black Up 4) Biosphere - N-Plants 5) Akron Family - The Cosmic Birth and Journey of Shinju TNT 6) Nicolas Jaar - Space is Only Noise 7) Nils Frahm & Anne Müller - 7fingers 8) Peter Broderick - Music For Confluence 9) Dan Freeman & The Serious - I lie a lot 10) Robag Wruhme - Thora Vukk

(Chemikal Underground / De Konkurrent)
Postrock is dood. Dat is best spijtig. Episch centrum Louisville, Kentucky
bracht opmerkelijk veel bands voort die van eind jaren 80 tot begin deze
eeuw een rij indrukwekkende platen achtergelaten hebben. Slint, June of 44,
Palace Brothers, Rachel’s, Rodan, Shipping News, The For Carnation,
Aerial M (later Papa M), ik draai ze bij vlagen nog steeds. Maar aan alles
komt een eind en dat is maar goed ook. Op tijd iets anders gaan doen is
meestal beter dan steeds minder goeie platen maken (iets waar Shipping News
helaas niet helemaal in slaagde).
Van postrock hoorde je langzaam steeds minder. Bands gingen uit elkaar,
waarna verschillende kopstukken solo doorgingen, onder een andere naam of
in andere samenstellingen, zoals Will Oldham a.k.a Bonnie Prince Billy,
David Pajo (Slint) en Tara Jane o’Neill (Rodan). Maar vaak niet met
evenveel impact als voorheen.
King’s Daughters & Sons pakt nu de draad weer op. Het eerste nummer Sleeping Colony doet sterk denken aan The For Carnation: sober, traag, uitermate droevig maar ook prachtig. Dat is simpel te verklaren: deze vijfkoppige band is samengesteld uit de fine fleur van de Louisville scene. Todd Cook en Kyle Crabtree van Shipping News spelen bas en drums, Rachel Grimes (van Rachel’s) zet haar piano en hoge zachte stem in, Joe Manning en Michael Heinemann spelen gitaar en zingen. Is postrock dan toch weer tot leven gewekt? King’s Daughters & Sons brengt de stad weer even terug in de schijnwerpers, vooral door de achtergrond van de bandleden. Deze poging oude tijden te doen herleven is goed gelukt, al zijn niet alle nummers even sterk. If Then Not When is een mooie mix van alt-rock en folk-ballades geworden, vol emotie en goed geschreven. Na het trage begin gaat het tempo gelukkig wat omhoog. De plaat is een stuk gevarieerder in tempo en volume dan de For Carnation-platen. De verstilde kamermuziek van Rachel Grimes contrasteert mooi met de ruige gitaarnummers. Maar beide uitersten ontmoeten elkaar ook vaak in één track. Dat pakt best goed uit, zeker wat samenzang betreft. Het vlammende Anniversary en het tranenktrekkende Lorelei zijn hoogtepunten.
Het lijkt in eerste instantie vreemd dat de plaat bij een label in Glasgow is uitgebracht, maar bij nader inzien ook weer niet, want de melancholische sfeer past perfect bij hun nieuwe collega’s Adrian Crowley en Arab Strap’s Aidan Moffat. Kortom, een fijne plaat voor de oudere nostalgisten, voor mensen die een passende soundtrack zoeken bij de huidige recessie, maar zeker ook voor jongere luisteraars die bovengenoemde bands niet kennen. Die kunnen met deze plaat als startpunt beginnen aan een reis terug in de tijd, een ontdekkingstocht in de muzikale geschiedenis van Louisville. De plaat is nu in zijn geheel te horen op VPRO’s Luisterpaal . Daarnaast zijn 3 nummers te horen op site van Chemikal Underground.
King’s Daughters & Sons pakt nu de draad weer op. Het eerste nummer Sleeping Colony doet sterk denken aan The For Carnation: sober, traag, uitermate droevig maar ook prachtig. Dat is simpel te verklaren: deze vijfkoppige band is samengesteld uit de fine fleur van de Louisville scene. Todd Cook en Kyle Crabtree van Shipping News spelen bas en drums, Rachel Grimes (van Rachel’s) zet haar piano en hoge zachte stem in, Joe Manning en Michael Heinemann spelen gitaar en zingen. Is postrock dan toch weer tot leven gewekt? King’s Daughters & Sons brengt de stad weer even terug in de schijnwerpers, vooral door de achtergrond van de bandleden. Deze poging oude tijden te doen herleven is goed gelukt, al zijn niet alle nummers even sterk. If Then Not When is een mooie mix van alt-rock en folk-ballades geworden, vol emotie en goed geschreven. Na het trage begin gaat het tempo gelukkig wat omhoog. De plaat is een stuk gevarieerder in tempo en volume dan de For Carnation-platen. De verstilde kamermuziek van Rachel Grimes contrasteert mooi met de ruige gitaarnummers. Maar beide uitersten ontmoeten elkaar ook vaak in één track. Dat pakt best goed uit, zeker wat samenzang betreft. Het vlammende Anniversary en het tranenktrekkende Lorelei zijn hoogtepunten.
Het lijkt in eerste instantie vreemd dat de plaat bij een label in Glasgow is uitgebracht, maar bij nader inzien ook weer niet, want de melancholische sfeer past perfect bij hun nieuwe collega’s Adrian Crowley en Arab Strap’s Aidan Moffat. Kortom, een fijne plaat voor de oudere nostalgisten, voor mensen die een passende soundtrack zoeken bij de huidige recessie, maar zeker ook voor jongere luisteraars die bovengenoemde bands niet kennen. Die kunnen met deze plaat als startpunt beginnen aan een reis terug in de tijd, een ontdekkingstocht in de muzikale geschiedenis van Louisville. De plaat is nu in zijn geheel te horen op VPRO’s Luisterpaal . Daarnaast zijn 3 nummers te horen op site van Chemikal Underground.

(Constellation / De Konkurrent)

De bombast van Arcade Fire is niet voor iedereen weggelegd, ook niet voor
ondergetekende, maar de Canadese band heeft wel oog voor uitzonderlijke
musici als Colin Stetson. Deze Amerikaanse saxofonist begeleidde meer grote
publiekstrekkers, onder wie Tom Waits en David Byrne. Met New History
Warfare Vol. 2: Judges bewijst hij als solosaxofonist met gemak drie
kwartier lang te kunnen boeien. Door middel van onorthodoxe technieken weet
hij zijn bassaxofoon te laten klinken als een compleet blaasorkest,
inclusief percussie.
Voor wie verstand heeft van improvisatiejazz klinken de technieken van Stetson bekend in de oren: het ploppen met de tong, het ritmisch tikken met de kleppen, circulaire ademhaling, waarbij men door de neus inademt en tegelijk met de mond lucht door het instrument perst, en het grommen door het riet, waardoor meerdere noten tegelijk klinken: ze zijn uitgevonden, uitgebuit en uitgebreid door een hele stamboom aan blazers, onder wie Evan Parker, John Butcher en Peter Brötzmann; Stetson speelde zelf met bassaxofoon-expert Anthony Braxton.
New History Warfare klinkt echter anders dan soloalbums van bovengenoemde musici. Stetson is er niet op uit om de grenzen van improvisatie te verleggen. Zijn composities zijn strak ritmisch, liggen goed in het gehoor en zijn daardoor beter te vergelijken met de instrumentale solomuziek van folkgitaristen als John Fahey. Stetson gebruikt zijn virtuositeit om melodie, ritme en noise samen te voegen tot onweerstaanbare grooves. De plaat is bovendien perfect opgenomen en bevat voldoende afwisseling, onder meer door bijdragen van gastvocalisten Laurie Anderson en Shara Worden (My Brightest Diamond).
Colin Stetson speelt vanavond (30 november) in Doornroosje, Nijmegen en donderdag 1 december in het Bimhuis, Amsterdam.
Voor wie verstand heeft van improvisatiejazz klinken de technieken van Stetson bekend in de oren: het ploppen met de tong, het ritmisch tikken met de kleppen, circulaire ademhaling, waarbij men door de neus inademt en tegelijk met de mond lucht door het instrument perst, en het grommen door het riet, waardoor meerdere noten tegelijk klinken: ze zijn uitgevonden, uitgebuit en uitgebreid door een hele stamboom aan blazers, onder wie Evan Parker, John Butcher en Peter Brötzmann; Stetson speelde zelf met bassaxofoon-expert Anthony Braxton.
New History Warfare klinkt echter anders dan soloalbums van bovengenoemde musici. Stetson is er niet op uit om de grenzen van improvisatie te verleggen. Zijn composities zijn strak ritmisch, liggen goed in het gehoor en zijn daardoor beter te vergelijken met de instrumentale solomuziek van folkgitaristen als John Fahey. Stetson gebruikt zijn virtuositeit om melodie, ritme en noise samen te voegen tot onweerstaanbare grooves. De plaat is bovendien perfect opgenomen en bevat voldoende afwisseling, onder meer door bijdragen van gastvocalisten Laurie Anderson en Shara Worden (My Brightest Diamond).
Colin Stetson speelt vanavond (30 november) in Doornroosje, Nijmegen en donderdag 1 december in het Bimhuis, Amsterdam.
Dan Freeman and the Serious - I Lie A Lot
(Solaris Empire / Sonic Rendezvous)

Berlijn oefent al decennia een bijna magische aantrekkingskracht uit op
muzikanten. En niet alleen elektronica-adepten. Jazzsaxofonist Dan Freeman
vertrok van Tasmanië naar Berlijn om er muziek te studeren. Op de
Academy of Music Hanns Eisler ontmoette hij de band The Serious, ruilde
zijn sax in voor piano en ging zingen. De samenwerking bleek een schot in
de roos. Hun debuutplaat I Lie A Lot is erg goed en kan zich zelfs
bij vlagen meten met Radiohead en Jeff Buckley. Overdreven? Oordeel zelf;
het album is te horen in de SoundCloud.
De academische achtergrond van de vier mannen heeft 11 knap gecomponeerde liedjes opgeleverd, tussen alternatieve pop en jazzy rock in. Technische perfectie kan soms zielloze stijloefeningen opleveren, maar daar hebben zij geen last van. De nummers zitten vol dynamiek, spannende overgangen en soms ongewone maatsoorten. Toch is het een heel toegankelijke popplaat. Van een flinke dosis pathos en galm zijn de mannen niet vies. Dan Freeman is enorm romantisch, vooral in de subtielere pianostukken, maar lekker rocken kunnen ze ook. Af en toe neigt de boel wel erg esthetisch te worden. Op die momenten denk je dat je naar een Coldplay-kloon zit te luisteren. Gelukkig blijven ze meestal aan de goede kant van de streep.
Freeman’s beweeglijke zangmelodieën zijn keuriger dan die van Jeff Buckley, maar nooit saai. De rocknummers zijn favoriet, zoals het titelnummer I Lie A Lot, inclusief noisy freejazz-einde. De hoekige tracks Break Of Day en Older zijn de betere tracks. Meer daarvan graag. Het goedkoop uitziende hoesontwerp is wel een minpunt; die nodigt niet bepaald uit tot luisteren. Ik benieuwd naar hun volgende stap: zullen ze verder richting pop gaan en wereldwijd het Coldplaypubliek veroveren, of juist meer het experiment gaan opzoeken? Het zal geen verbazing wekken dat ik hoop op het laatste. Een lichte koerswijziging is zeker niet ondenkbaar. Bassist Bernhard Meyer en de enorm creatieve gitarist Peter Meyer hebben met een ander trio namelijk onlangs een nog avontuurlijker plaat gemaakt en kunnen dus meer kanten op:
Meyer/Baumgärtner/Meyer - Melt (Traumton, september 2011)
Dat is andere koek. Voor echte popliefhebbers is deze experimentele jazzrock waarschijnlijk een paar bruggen te ver. Maar wat zetten alleen bas, gitaar en drums hier een prachtige kathedraal van geluid neer! Van dromerige klanklandschappen tot spetterende rockpassages, dit is smelten geblazen. Fan van de eveneens Berlijnse jazzrockers Der Rote Bereich? Check even die link. Dit is geschoolde muziek met ballen (en baarden). Drie van de negen lange nummers zijn hier te horen.
De academische achtergrond van de vier mannen heeft 11 knap gecomponeerde liedjes opgeleverd, tussen alternatieve pop en jazzy rock in. Technische perfectie kan soms zielloze stijloefeningen opleveren, maar daar hebben zij geen last van. De nummers zitten vol dynamiek, spannende overgangen en soms ongewone maatsoorten. Toch is het een heel toegankelijke popplaat. Van een flinke dosis pathos en galm zijn de mannen niet vies. Dan Freeman is enorm romantisch, vooral in de subtielere pianostukken, maar lekker rocken kunnen ze ook. Af en toe neigt de boel wel erg esthetisch te worden. Op die momenten denk je dat je naar een Coldplay-kloon zit te luisteren. Gelukkig blijven ze meestal aan de goede kant van de streep.
Freeman’s beweeglijke zangmelodieën zijn keuriger dan die van Jeff Buckley, maar nooit saai. De rocknummers zijn favoriet, zoals het titelnummer I Lie A Lot, inclusief noisy freejazz-einde. De hoekige tracks Break Of Day en Older zijn de betere tracks. Meer daarvan graag. Het goedkoop uitziende hoesontwerp is wel een minpunt; die nodigt niet bepaald uit tot luisteren. Ik benieuwd naar hun volgende stap: zullen ze verder richting pop gaan en wereldwijd het Coldplaypubliek veroveren, of juist meer het experiment gaan opzoeken? Het zal geen verbazing wekken dat ik hoop op het laatste. Een lichte koerswijziging is zeker niet ondenkbaar. Bassist Bernhard Meyer en de enorm creatieve gitarist Peter Meyer hebben met een ander trio namelijk onlangs een nog avontuurlijker plaat gemaakt en kunnen dus meer kanten op:
Meyer/Baumgärtner/Meyer - Melt (Traumton, september 2011)
Dat is andere koek. Voor echte popliefhebbers is deze experimentele jazzrock waarschijnlijk een paar bruggen te ver. Maar wat zetten alleen bas, gitaar en drums hier een prachtige kathedraal van geluid neer! Van dromerige klanklandschappen tot spetterende rockpassages, dit is smelten geblazen. Fan van de eveneens Berlijnse jazzrockers Der Rote Bereich? Check even die link. Dit is geschoolde muziek met ballen (en baarden). Drie van de negen lange nummers zijn hier te horen.

(Fiction / V2)

Deze band rond zangeres Liela Moss is de afgelopen jaren volledig langs me
heen gegaan. Afgaande op de kritieken heb ik niet veel gemist. Het debuut
Cuts Across The Land uit 2005 staat genoteerd als een leuke demo en
opvolger Neptune als afgeraffeld. Na dik drie jaar sleutelen komt
dit Londense quintet nu met een epische rockplaat waarop het grote gebaar
niet geschuwd wordt. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat Bruiser een
prima plaat is om in te stappen. Een stuwende ritmesectie en ronkende
gitaarriffs laten tijden van de alternatieve rock uit de jaren 90 herleven.
Beluister alleen al opener Cherry Tree
waar de strak drummende Olly 'The Kid' Betts de toon zet en Toby Butler er
halverwege gierend met zijn gitaar overheen gaat. Het basgitaargeluid van
Marc Sallis geeft het geheel iets zompigs en vuigs.
Vooral de geest van the Smashing Pumpkins is alom aanwezig. In plaats van de snerpende nazale stem van Billy Corgan doen zij het met de goeie rockstrot van Liela. Evenals de Pumpkins voegt The Duke Spirit een flinke dosis psychedelica en pathos aan de mix toe. Aangenaam aan Bruiser is ook dat er regelmatig gas terug wordt genomen om zo wat lucht te geven aan dit toch wel enigszins dichtgespijkerde en volgeproduceerde album. Tekstueel mag er echter nog wel een cursus tegenaan gegooid worden. Het twintig keer herhalen van de titel is wel catchy, maar gaat op een gegeven moment nogal vervelen. Maar het is ze vergeven want Bruiser is zeker een plaat waar je mee voor de dag kunt komen. Beluister Don’t Wait in de SoundCloud.
Vooral de geest van the Smashing Pumpkins is alom aanwezig. In plaats van de snerpende nazale stem van Billy Corgan doen zij het met de goeie rockstrot van Liela. Evenals de Pumpkins voegt The Duke Spirit een flinke dosis psychedelica en pathos aan de mix toe. Aangenaam aan Bruiser is ook dat er regelmatig gas terug wordt genomen om zo wat lucht te geven aan dit toch wel enigszins dichtgespijkerde en volgeproduceerde album. Tekstueel mag er echter nog wel een cursus tegenaan gegooid worden. Het twintig keer herhalen van de titel is wel catchy, maar gaat op een gegeven moment nogal vervelen. Maar het is ze vergeven want Bruiser is zeker een plaat waar je mee voor de dag kunt komen. Beluister Don’t Wait in de SoundCloud.

High Places - Original Colors
(Thrill Jockey / De Konkurrent)

Dit duo uit Brooklyn NY (nu verhuisd naar Los Angeles) heeft een
opmerkelijke derde plaat gemaakt. Opmerkelijk omdat Original Colors
verrassend veel toegankelijker is dan eerder werk. De multi-instrumentalist
Rob Barber en zangeres Mary Pearson knutselden thuis in 2008 met complexe
experimentele ritmes, vreemde geluiden en potten en pannen hun titelloze
debuut in elkaar. Het resultaat was luchtig, speels en een beetje
wereldvreemd. High Places leek gedoemd voor altijd in de marge te blijven.
Twee avontuurlijke muzikanten met een kunstachtergrond en een berg
electronica en microfoons, zoals er zoveel zijn, maar wel talentvol genoeg
om door het gerenommeerde Thrill Jockey-label opgepikt te worden. De
opvolger High Places vs. Mankind (2010) klonk massiever, serieuzer
en vrij moeilijk. De beats waren zelden of nooit dansbaar en
Pearson’s nonchalante vocalen vaak wat veel van hetzelfde. Zouden
Barber en Pearson op hun derde plaat muzikaal zo high worden dat ze
geheel uit het zicht zouden gaan raken? Gelukkig is deze vrees opgegrond
gebleken. High Places heeft in één klap het roer
omgegooid.
De dromerige huiskamersfeer is wel gebleven, met name door Pearson’s laid back manier van zingen, maar de beats op Original Colors zullen zeker een groter publiek aanspreken. De plaat zit namelijk vol drum ’n bass, techno en pop-invloeden. Iets van de warmte van hun eerdere werk is ingeleverd, maar daar is veel moois voor in de plaats gekomen. Opener Year Off is meteen het beste nummer, maar ook daarna blijft het genieten. De vocalen zijn nog steeds wat slaperig met veel galm, maar omdat het tempo hoger ligt dan vroeger en de composities minder weird zijn, kan deze plaat best wel eens een doorbraak op gaan leveren. Original Colors is geschikt voor zowel huiskamer als draaitafel in de hippere club. Nieuwsgierig? Luister een selectie clipjes van het hele album in de SoundCloud .
De dromerige huiskamersfeer is wel gebleven, met name door Pearson’s laid back manier van zingen, maar de beats op Original Colors zullen zeker een groter publiek aanspreken. De plaat zit namelijk vol drum ’n bass, techno en pop-invloeden. Iets van de warmte van hun eerdere werk is ingeleverd, maar daar is veel moois voor in de plaats gekomen. Opener Year Off is meteen het beste nummer, maar ook daarna blijft het genieten. De vocalen zijn nog steeds wat slaperig met veel galm, maar omdat het tempo hoger ligt dan vroeger en de composities minder weird zijn, kan deze plaat best wel eens een doorbraak op gaan leveren. Original Colors is geschikt voor zowel huiskamer als draaitafel in de hippere club. Nieuwsgierig? Luister een selectie clipjes van het hele album in de SoundCloud .

Stereo MCs - Emperors Nightingale
(K7 / V2)

Begonnen als een Britse hiphop-act beleefde de Stereo MCs hun hoogtepunt
begin jaren 90 met de hit Connected. Tussen destijds hippe acts als
Jesus Jones en EMF viel de band precies op zijn plek en maakte van de
weeromstuit de MC-lettercombinatie tot een anachronisme. Immers, de
overstap naar een meer dance-georiënteerde sound was toen al gemaakt.
Het succes vervloog echter, het trio werd een duo dat voortmodderde met
uiteindelijk een middelmatige herhaling van zetten op de plaat Deep Down
and Dirty (2001). Dat beloofde weinig goeds voor deze terugkeer en
debuut op het indie-label K7. Maar dat valt alles mee. Met een definitieve
keuze voor dance is Emperors Nightingale voor het grootste deel een
overtuigende plaat geworden.
Frontman Rob Birch kan nog steeds niet zingen, maar met moderne vervormingstechnieken wordt zijn nasale droge stemgeluid in allerlei bochten gewrongen, wat het geheel iets dynamisch geeft zoals op Phase me en Far Out Feeling . Mixer Nick Hallam houdt de plaat op koers met een collectie simpele, recht-voor-zijn-raap beats, hier en daar aangekleed met herkenbare samples zoals het synthloopje uit Eddy Grant’s Electric avenue op Manner. Het geeft de plaats iets cools, opzwepends en euforisch. De plaat doet enorm verlangen naar de tijd dat de Chemical Brothers en Prodigy het geluid bepaalden. Bring It On is met zijn rave-beats een goed voorbeeld van deze retro-sound. Enige vernieuwing komt nog wel van het nummer Boy met Jamie Cullum op piano, al valt het een beetje uit de toon in deze collectie vooral smakelijke staaltjes nostalgie.
Frontman Rob Birch kan nog steeds niet zingen, maar met moderne vervormingstechnieken wordt zijn nasale droge stemgeluid in allerlei bochten gewrongen, wat het geheel iets dynamisch geeft zoals op Phase me en Far Out Feeling . Mixer Nick Hallam houdt de plaat op koers met een collectie simpele, recht-voor-zijn-raap beats, hier en daar aangekleed met herkenbare samples zoals het synthloopje uit Eddy Grant’s Electric avenue op Manner. Het geeft de plaats iets cools, opzwepends en euforisch. De plaat doet enorm verlangen naar de tijd dat de Chemical Brothers en Prodigy het geluid bepaalden. Bring It On is met zijn rave-beats een goed voorbeeld van deze retro-sound. Enige vernieuwing komt nog wel van het nummer Boy met Jamie Cullum op piano, al valt het een beetje uit de toon in deze collectie vooral smakelijke staaltjes nostalgie.

(RoeM Records)

Jazzartiesten gaan van oudsher aan de haal met bekende melodieën. In
plaats daarvan gebruikt Tin Men and The Telephone alledaagse geluidjes als
de Nokia-ringtone en de stem van de TomTom-navigatie. Of het doorgaans
stomvervelende keuzemenu van de KPN-klantenservice, dat het Amsterdamse
trio weer interessant maakt door bijzonder strak op de ritmes en
toonhoogtes van de klantgerichte vrouwenstem in te spelen.
Pianist Tony Roe, bassist Lucas Dols en drummer Bobby Petrov maakten hun debuut-cd Moetjenou?! net in die ene warme week van zomer 2010. Hitte maakt loom, maar ook melig, en in die door de WK nog eens opgestookte sfeer ontstonden nummers als De Bal, op basis van versnipperd commentaar van alle Nederlandse voetbalverslaggevers. Anders dan veel conservatorium-collega’s hebben de drie heren geen interesse in het herkauwen van jazz uit voorgaande decennia. Hiphop, sampling en Balkanritmes zijn de voornaamste invloeden op Moetjenou?! Piano, bas en drums geven daarbij de toon aan en worden niet overschaduwd door elektronica.
Het trio verrast met een 15 minuten lange bebopfunkversie van Danse de la Fureur van de Franse moderne componist Olivier Messiaen. Naast al die opgewekte inventiviteit nemen de Tin Men gas terug met stemmige nummers als Time’s Up en III Chord. Hierdoor blijft de plaat van begin tot eind boeiend. Een waarschuwing: Moetjenou?! is verpakt in een 12”-hoes, maar de muziek staat op een cd, bevestigd op een tweedehands Waterlooplein-lp. Als de volgende plaat nou écht op vinyl komt vergeven we het ze.
Tin Men and the Telephone speelt zaterdag 12 november op Jazzfest Amsterdam 2011 in Studio K en 18 november op Festival Jazz International in De Doelen.
Pianist Tony Roe, bassist Lucas Dols en drummer Bobby Petrov maakten hun debuut-cd Moetjenou?! net in die ene warme week van zomer 2010. Hitte maakt loom, maar ook melig, en in die door de WK nog eens opgestookte sfeer ontstonden nummers als De Bal, op basis van versnipperd commentaar van alle Nederlandse voetbalverslaggevers. Anders dan veel conservatorium-collega’s hebben de drie heren geen interesse in het herkauwen van jazz uit voorgaande decennia. Hiphop, sampling en Balkanritmes zijn de voornaamste invloeden op Moetjenou?! Piano, bas en drums geven daarbij de toon aan en worden niet overschaduwd door elektronica.
Het trio verrast met een 15 minuten lange bebopfunkversie van Danse de la Fureur van de Franse moderne componist Olivier Messiaen. Naast al die opgewekte inventiviteit nemen de Tin Men gas terug met stemmige nummers als Time’s Up en III Chord. Hierdoor blijft de plaat van begin tot eind boeiend. Een waarschuwing: Moetjenou?! is verpakt in een 12”-hoes, maar de muziek staat op een cd, bevestigd op een tweedehands Waterlooplein-lp. Als de volgende plaat nou écht op vinyl komt vergeven we het ze.
Tin Men and the Telephone speelt zaterdag 12 november op Jazzfest Amsterdam 2011 in Studio K en 18 november op Festival Jazz International in De Doelen.
(Kitsuné / V2)

Het duo Pierre Leroux en Victor Le Masne is een nieuwe loot aan de boom van
de Franse alternatieve danspop. Hoewel, helemaal nieuw ook weer niet omdat
beide heren hun sporen al verdiend hebben als sessiemuzikant bij Air en
Phoenix. Eerder maakten ze samen ook de onopgemerkte plaat Forty Love. Met producent Philippe Zdar
(Cassius) gaan ze nu in de herkansing, waarbij op deze plaat veel zwaarder
geleund wordt op synthesizers en minder op gitaar en drums. De single Roman
opent nog met een catchy gitaarriff, maar zodra de toetsen invallen is
duidelijk waar de nadruk ligt. Het resultaat is echter vlees noch vis en
daarom wat onbevredigend. Op de rest van de plaat weten de heren zich
echter goed te revancheren met een aantal sterke electro-glam-nummers zoals
Apocalypso en Chorus, die zowel catchy als zoet zijn. Vooral
het repetitieve Chateau
haakt zich als een tintelende verrassing vast in het geheugen van de
luisteraar.
Qua productie en geluid zoekt Housse de Racket hiermee aansluiting bij Amerikaanse electro-acts als Fisherspooner en MGMT, zeker op de psychedelische track Ariane, waar de synths gierend ten hemel vliegen. Tegen het einde van de plaat gaat het trucje van up tempo beats, huppelende toetsen en psychedelische bleeps helaas wat vervelen. Het bijna zeven minuten durende Aquarium heeft hieronder bijvoorbeeld te lijden. Alesia heeft zeker een paar hoogtepunten, maar zoals een goede brie moet je er nooit teveel van eten. Lekker, maar met mate.
Qua productie en geluid zoekt Housse de Racket hiermee aansluiting bij Amerikaanse electro-acts als Fisherspooner en MGMT, zeker op de psychedelische track Ariane, waar de synths gierend ten hemel vliegen. Tegen het einde van de plaat gaat het trucje van up tempo beats, huppelende toetsen en psychedelische bleeps helaas wat vervelen. Het bijna zeven minuten durende Aquarium heeft hieronder bijvoorbeeld te lijden. Alesia heeft zeker een paar hoogtepunten, maar zoals een goede brie moet je er nooit teveel van eten. Lekker, maar met mate.
Podium Grounds, Rotterdam (zaterdag 22 oktober)

Zanger Han Buhrs bracht in 2006 vier ervaren muzikanten bij elkaar
uit verschillende windstreken. Gitarist René van Barneveld
speelde eerder in de rock-rapgroep Urban Dance Squad. Luc Ex was tot
2002 zo’n twintig jaar bassist geweest van The Ex. De Bulgaarse
Tatiana Koleva komt uit de modern klassieke hoek en speelt hier
vibrafoon en slagwerk. Een opmerkelijke combinatie als deze wil je na
erover gelezen te hebben liefst meteen live horen. Zou Rubatong klinken als
de som der delen: rock plus jazz, blues en modern gecomponeerd, gebracht
met een geëngageerde punk-attitude? Of toch heel anders? Gelukkig kon
zaterdag al de proef op de som worden genomen.
Podium Grounds adverteert met een ludiek commentaar op het veelbesproken Rotterdamse live-circuit: ’Watt, maar dan open. Dunya, maar dan droog’. Een podium voor wereldmuziek is niet de plek waar je zo’n experimentele act zou verwachten. Toch kwam Rubatong in deze kleine Delfshavense club de nieuwe cd aanprijzen. Het publiek van voornamelijk veertig-plussers werd getrakteerd op een vlammende set met uitstekend geluid.
De verschillende achtergronden binnen Rubatong springen natuurlijk het meest in het oog, maar dit aspect verdween al snel naar de achtergrond. Want niet de verschillen, maar wat de muzikanten gemeen hebben is waar Rubatong om draait. Allemaal hebben ze een goedgevulde rugzak om uit te putten. Han Buhrs is een vocalist die zich niet beperkt tot één genre: hij doet aan jazz, rock, wereldmuziek en improvisatie of een combinatie daarvan. Hij zoekt de grenzen op van wat nog zingen is (soms aangevuld met loops en effecten). Koleva is docent bij het Codarts Conservatorium en heeft over de hele wereld met talloze groepen en orkesten gespeeld, waaronder De Volharding, het Asko-Schönberg, Concertgebouworkest, theatergroep Hollandia en Orkater. Luc Ex speelde ook met Four Walls geïmproviseerde muziek en heeft de beperkingen van punk allang achter zich gelaten. Hij gooit zijn hele fysiek in het trekken aan die akoestische bassnaren. De wat introverte René van Barneveld kan zo’n beetje alles uit zijn telecaster halen wat hij maar wil en de klassiek geschoolde precisie van Koleva houdt ten slotte alles bij elkaar. Het hechte samenspel van deze flexibele geesten is puur genieten.
Han Buhrs bespeelt zijn publiek als een charismatisch acteur. Zijn rauwe stem is de ene keer fluisterend, poëtisch, dan weer samengebald in een explosieve rant. “He had a severe case of winter in his head” werd voelbaar gemaakt door een noise-uitbarsting. Amerikaans Engels ligt hem het beste. Daarin kan hij grommen, krijsen en mompelen als het neefje van Tom Waits. Af en toe is er een uitstapje naar Duits en Frans, maar de directheid van het Nederlands maakt toch het meeste indruk. De beginzin “Is er iets? Wat is er?” leverde een van de mooiste momenten van de avond op. Ook een tekst bestaande uit bijna alleen maar woorden met een F was een fijn staaltje jazzpoëzie vol humor en dagelijkse ergernissen van de fatale fiscus tot frutselende filatelisten.
Het enige minpunt was de dronken dj, die tussen de nummers door hinderlijk de aandacht trok. Na een modern gecomponeerd stuk met Koleva’s vibrafoon in de hoofdrol, leverde de opmerking “Nou, dat was wel erg vreemd hoor!” een wat genant moment op. Maar een professional laat zich daar natuurlijk niet door afleiden. Buhrs introduceerde het volgende stuk met “Daar gaan we nu wat aan doen”, gevolgd door een bluesy nummer dat rockte als een gek. Hopelijk gaat Grounds vaker acts boeken die te experimenteel zijn voor Rotown en te rock-achtig voor Worm. Luister U-Turns op YouTube.
Podium Grounds adverteert met een ludiek commentaar op het veelbesproken Rotterdamse live-circuit: ’Watt, maar dan open. Dunya, maar dan droog’. Een podium voor wereldmuziek is niet de plek waar je zo’n experimentele act zou verwachten. Toch kwam Rubatong in deze kleine Delfshavense club de nieuwe cd aanprijzen. Het publiek van voornamelijk veertig-plussers werd getrakteerd op een vlammende set met uitstekend geluid.
De verschillende achtergronden binnen Rubatong springen natuurlijk het meest in het oog, maar dit aspect verdween al snel naar de achtergrond. Want niet de verschillen, maar wat de muzikanten gemeen hebben is waar Rubatong om draait. Allemaal hebben ze een goedgevulde rugzak om uit te putten. Han Buhrs is een vocalist die zich niet beperkt tot één genre: hij doet aan jazz, rock, wereldmuziek en improvisatie of een combinatie daarvan. Hij zoekt de grenzen op van wat nog zingen is (soms aangevuld met loops en effecten). Koleva is docent bij het Codarts Conservatorium en heeft over de hele wereld met talloze groepen en orkesten gespeeld, waaronder De Volharding, het Asko-Schönberg, Concertgebouworkest, theatergroep Hollandia en Orkater. Luc Ex speelde ook met Four Walls geïmproviseerde muziek en heeft de beperkingen van punk allang achter zich gelaten. Hij gooit zijn hele fysiek in het trekken aan die akoestische bassnaren. De wat introverte René van Barneveld kan zo’n beetje alles uit zijn telecaster halen wat hij maar wil en de klassiek geschoolde precisie van Koleva houdt ten slotte alles bij elkaar. Het hechte samenspel van deze flexibele geesten is puur genieten.
Han Buhrs bespeelt zijn publiek als een charismatisch acteur. Zijn rauwe stem is de ene keer fluisterend, poëtisch, dan weer samengebald in een explosieve rant. “He had a severe case of winter in his head” werd voelbaar gemaakt door een noise-uitbarsting. Amerikaans Engels ligt hem het beste. Daarin kan hij grommen, krijsen en mompelen als het neefje van Tom Waits. Af en toe is er een uitstapje naar Duits en Frans, maar de directheid van het Nederlands maakt toch het meeste indruk. De beginzin “Is er iets? Wat is er?” leverde een van de mooiste momenten van de avond op. Ook een tekst bestaande uit bijna alleen maar woorden met een F was een fijn staaltje jazzpoëzie vol humor en dagelijkse ergernissen van de fatale fiscus tot frutselende filatelisten.
Het enige minpunt was de dronken dj, die tussen de nummers door hinderlijk de aandacht trok. Na een modern gecomponeerd stuk met Koleva’s vibrafoon in de hoofdrol, leverde de opmerking “Nou, dat was wel erg vreemd hoor!” een wat genant moment op. Maar een professional laat zich daar natuurlijk niet door afleiden. Buhrs introduceerde het volgende stuk met “Daar gaan we nu wat aan doen”, gevolgd door een bluesy nummer dat rockte als een gek. Hopelijk gaat Grounds vaker acts boeken die te experimenteel zijn voor Rotown en te rock-achtig voor Worm. Luister U-Turns op YouTube.

Still Corners - Creatures of an Hour
(Sub pop / Konkurrent)

Zuchtende, ijle en onverstaanbare zang, uitwaaierende synthesizers en
gitaren en drums die zo gedempt zijn dat het lijkt alsof de ritmesectie een
studioruimte verderop zat. Jawel, het uit Londen afkomstige Still Corners
laat de tijden van shoegazing herleven. Met de vocalen van Tessa
Murray gaan we terug naar de tijd waarin Mazzy Star en Cranes even populair
waren. De single en openingsnummer Cuckoo klinkt veelbelovend en
spannend. Een droge drumbeat, spookachtige gitaar en vaag orgel laten
Murray’s sopraan een verhaal vertellen waarin zij langzaam gek van
liefde wordt “I’d like to read your mind / can you read
mine?”.
Maar al bij het tweede nummer ontspoort Still Corners volledig. Wat volgt is een galmende collectie ingetogen nummers die iedere spanningsboog mist. Net als je in slaap dreigt te vallen komt de band nog even sterk terug met de huiveringwekkende murderballad I Wrote In Blood. Ook hier weer dezelfde droge beat en het repeterende orgel. Het nummer zou zo in een aflevering van Derrick of een andere Krimi kunnen. Pijnlijk is alleen dat dit nummer bijna letterlijk een replica is van Cuckoo. Vervolgens dobbert de plaat langzaam richting het einde om uiteindelijk met Submarine te verdwijnen in zijn eigen echoput. Eindconclusie: koop de single. Verder is het een saaie plaat in een genre dat in het verleden al vele, vele malen beter is beoefend. Maar wie de term 'echoput' wel een aanbeveling vindt, kan Creatures Of An Hour in zijn geheel beluisteren in de SoundCloud .
Maar al bij het tweede nummer ontspoort Still Corners volledig. Wat volgt is een galmende collectie ingetogen nummers die iedere spanningsboog mist. Net als je in slaap dreigt te vallen komt de band nog even sterk terug met de huiveringwekkende murderballad I Wrote In Blood. Ook hier weer dezelfde droge beat en het repeterende orgel. Het nummer zou zo in een aflevering van Derrick of een andere Krimi kunnen. Pijnlijk is alleen dat dit nummer bijna letterlijk een replica is van Cuckoo. Vervolgens dobbert de plaat langzaam richting het einde om uiteindelijk met Submarine te verdwijnen in zijn eigen echoput. Eindconclusie: koop de single. Verder is het een saaie plaat in een genre dat in het verleden al vele, vele malen beter is beoefend. Maar wie de term 'echoput' wel een aanbeveling vindt, kan Creatures Of An Hour in zijn geheel beluisteren in de SoundCloud .

Nils Frahm - Felt & Peter Broderick - Music For Confluence
(Erased Tapes - De Konkurrent)

Nils Frahm is nog geen dertig en heeft al een stevige naam opgebouwd
als pianist. Niet onder het traditionele klassiekpubliek, maar onder
liefhebbers van modern gecomponeerd en ambient. Na zijn klassieke scholing
is hij steeds vaker electronica door zijn subtiele composities heen gaan
weven. In zijn eigen Durton Studio in Berlijn maakten ook de gelijkgestemde
pianist Dustin o’Halloran en de Amerikaanse componist Peter Broderick
opnames. Met celliste Anne Müller maakte hij vorig jaar 7 fingers , die hier vijf sterren kreeg. De
verwachtingen waren dan ook hoog toen Felt aangekondigd werd.
Op zijn vijfde plaat treffen we geen verrassingen aan. Opener Keep is met een xylofoon erbij nog wel opvallend, maar de plaat biedt voornamelijk een nog verder doorgevoerd minimalisme dan op zijn debuut Wintermusik (2009) al het geval was. Dat pakt niet altijd even boeiend uit. Eenzame pianosnaren laat hij vaak seconden lang uitklinken. Dat wordt door liefhebbers delicate genoemd, maar associaties met de woorden ‘saai’ en ‘Richard Clayderman’ komen regelmatig gevaarlijk dichtbij. De tweede track heet Less en is hier het beste voorbeeld van. Luister een selectie fragmenten uit Felt in de Soundcloud.
Toen Frahm eens met een orkest opnames maakte, werd er wat gemord onder de orkestleden: zijn muziek zou niets anders dan alleen maar mooi willen zijn. Ze vonden zijn composities te simpel. Die mening werd na enkele repetities bijgesteld. De ogenschijnlijk simpele composities hadden blijkbaar even tijd nodig om hun zeggingskracht prijs te geven. Die ouderwetse orkestleden toch; ze hadden het gewoon niet meteen begrepen! Na Felt enkele keren gehoord te hebben, begin ik de reactie van dat orkest destijds te begrijpen. Felt kabbelt dromerig en richtingloos voort. Een spanningsboog is nergens te vinden, de gedachten dwalen al snel af. Te veel esthetiek (behaagziek?) kan onverwacht irritatie veroorzaken. En less is niet more, less is gewoon less. Maar wie weet was dit een te snel oordeel? Zou Felt net als 7fingers na meerdere keren luisteren pas zijn geheimen prijs geven, gevolgd door kippenvel? Helaas, na tien keer proberen gaf ik het op en zette de nieuwe cd van zijn collega Peter Broderick op.
Zijn eveneens net bij Erased Tapes verschenen Music For Confluence is ronduit prachtig. Hij is met zijn 24 jaar zelfs nog 5 jaar jonger dan Frahm en blijkt een groot talent. De plaat kan eveneens in het schapje modern gecomponeerd & ambient, maar deze componist en violist uit Oregon maakt er wel een veel boeiender geheel van. Hij maakte eerder deel uit van Efterklang (Kopenhagen). Met deze veelkoppige band met strijkers, blazers, gitaren, bas en drums als achtergrond is het niet verwonderlijk dat hij geen genoegen neemt met een enkele piano. Music For Confluence is gelaagder en gevarieerder dan Felt en blijkt na een paar draaibeurten een echte groeidiamant. Broderick voegt soms een folky viool toe op de achtergrond, zang, af en toe een gitaar of heel in de verte een strijkkwartet. Ondanks die gelaagdheid straalt de plaat een weldadige rust uit, zonder ook maar één moment saai te worden. Een soort kruising tussen ambient soundscape en post-rock. Op The Person Of Interest slaat hij plots een andere weg in met een donker rocknummer vol dreigende bassen. Beluister in de SoundCloud ook de track The Last Christmas. Het folky slotnummer Old Time met alleen een zingende Broderick en akoestische gitaar blijft lang hangen. Bekijk hier de live uitvoering ervan bij KindaMuzik. Laat die herfst maar komen.
Op zijn vijfde plaat treffen we geen verrassingen aan. Opener Keep is met een xylofoon erbij nog wel opvallend, maar de plaat biedt voornamelijk een nog verder doorgevoerd minimalisme dan op zijn debuut Wintermusik (2009) al het geval was. Dat pakt niet altijd even boeiend uit. Eenzame pianosnaren laat hij vaak seconden lang uitklinken. Dat wordt door liefhebbers delicate genoemd, maar associaties met de woorden ‘saai’ en ‘Richard Clayderman’ komen regelmatig gevaarlijk dichtbij. De tweede track heet Less en is hier het beste voorbeeld van. Luister een selectie fragmenten uit Felt in de Soundcloud.
Toen Frahm eens met een orkest opnames maakte, werd er wat gemord onder de orkestleden: zijn muziek zou niets anders dan alleen maar mooi willen zijn. Ze vonden zijn composities te simpel. Die mening werd na enkele repetities bijgesteld. De ogenschijnlijk simpele composities hadden blijkbaar even tijd nodig om hun zeggingskracht prijs te geven. Die ouderwetse orkestleden toch; ze hadden het gewoon niet meteen begrepen! Na Felt enkele keren gehoord te hebben, begin ik de reactie van dat orkest destijds te begrijpen. Felt kabbelt dromerig en richtingloos voort. Een spanningsboog is nergens te vinden, de gedachten dwalen al snel af. Te veel esthetiek (behaagziek?) kan onverwacht irritatie veroorzaken. En less is niet more, less is gewoon less. Maar wie weet was dit een te snel oordeel? Zou Felt net als 7fingers na meerdere keren luisteren pas zijn geheimen prijs geven, gevolgd door kippenvel? Helaas, na tien keer proberen gaf ik het op en zette de nieuwe cd van zijn collega Peter Broderick op.
Zijn eveneens net bij Erased Tapes verschenen Music For Confluence is ronduit prachtig. Hij is met zijn 24 jaar zelfs nog 5 jaar jonger dan Frahm en blijkt een groot talent. De plaat kan eveneens in het schapje modern gecomponeerd & ambient, maar deze componist en violist uit Oregon maakt er wel een veel boeiender geheel van. Hij maakte eerder deel uit van Efterklang (Kopenhagen). Met deze veelkoppige band met strijkers, blazers, gitaren, bas en drums als achtergrond is het niet verwonderlijk dat hij geen genoegen neemt met een enkele piano. Music For Confluence is gelaagder en gevarieerder dan Felt en blijkt na een paar draaibeurten een echte groeidiamant. Broderick voegt soms een folky viool toe op de achtergrond, zang, af en toe een gitaar of heel in de verte een strijkkwartet. Ondanks die gelaagdheid straalt de plaat een weldadige rust uit, zonder ook maar één moment saai te worden. Een soort kruising tussen ambient soundscape en post-rock. Op The Person Of Interest slaat hij plots een andere weg in met een donker rocknummer vol dreigende bassen. Beluister in de SoundCloud ook de track The Last Christmas. Het folky slotnummer Old Time met alleen een zingende Broderick en akoestische gitaar blijft lang hangen. Bekijk hier de live uitvoering ervan bij KindaMuzik. Laat die herfst maar komen.

23 september - Schouwburg Rijswijk. Op tournee door Nederland tot en met 24 december.

De buitenwijk van Rijswijk die de schouwburg omcirkelt waar Moke haar
theatertournee gaat beginnen oogt mistroostig. De truien en afgezakte
broeken in de foyer zijn ook niet direct uit een hippe Grolsch-reclame
weggelopen, maar de vijf muzikanten uit Amsterdam zijn onverstoorbaar cool.
Op een volledig zwart toneel staan ze te wachten terwijl een harteklop
langzaam overgaat in een flatline. Als My Death begint en alleen
zanger Felix Maginn aangelicht wordt door een slingerende huiskamerlamp
klinkt hij meer als Bowie dan Scott Walker.
Moke gaat het theater in met muziek van een aantal van hun helden als Echo & The Bunnymen, Duran Duran, U2 en Bruce Sprinsteen. Nummers over dood en afscheid nemen, vriendschap en verlies zijn als een langgerekte videoclip achter elkaar gemonteerd. De jaren-tachtig melancholie van een aantal nummers is terug te vinden in gestileerde belichting en filmbeelden. Minimalistische shots van harten, bloemen en deuren die traag opengaan, maar ook crash-test dummies bij het refrein van There is a Light That Never Goes Out van The Smiths. The Drugs Don’t Work van The Verve gaat automatisch over in Steets of Philadelphia van Bruce Springsteen. Maginn kruipt zo in de songs dat het lijkt of het eigen nummers van Moke zijn. Na de verplichte pauze wordt de flow weer slim opgepakt met een gedicht van Robert Graves, waarna het tempo flink opgevoerd wordt. This Plan van Moke’s eerste cd blijkt naadloos in The Killing Moon van Echo & the Bunnymen te passen. Het geluidsniveau in de laatste nummers wordt flink opgerekt, een finale waarin de bescheiden gitarist Phil Tilli het pluche helemaal van de stoelen speelt.
Als het licht langzaam dooft en het overdonderde publiek al bijna op wil staan is er nog een verrassing: aan de rechterkant van het toneel floept een spot aan en Maginn geeft als afsluiter nog een onvermoede Elvis-persiflage ten beste. Om nog na te genieten is er van de Moke-versies een cd, met een door The Stone Twins prachtig vormgegeven boekje. Het is alleen te koop in de theaters, waar het door de heren met groot plezier wordt gesigneerd, zoals te zien op de foto met gitarist gitarist Phil Tilli op de voorgrond.
Moke gaat het theater in met muziek van een aantal van hun helden als Echo & The Bunnymen, Duran Duran, U2 en Bruce Sprinsteen. Nummers over dood en afscheid nemen, vriendschap en verlies zijn als een langgerekte videoclip achter elkaar gemonteerd. De jaren-tachtig melancholie van een aantal nummers is terug te vinden in gestileerde belichting en filmbeelden. Minimalistische shots van harten, bloemen en deuren die traag opengaan, maar ook crash-test dummies bij het refrein van There is a Light That Never Goes Out van The Smiths. The Drugs Don’t Work van The Verve gaat automatisch over in Steets of Philadelphia van Bruce Springsteen. Maginn kruipt zo in de songs dat het lijkt of het eigen nummers van Moke zijn. Na de verplichte pauze wordt de flow weer slim opgepakt met een gedicht van Robert Graves, waarna het tempo flink opgevoerd wordt. This Plan van Moke’s eerste cd blijkt naadloos in The Killing Moon van Echo & the Bunnymen te passen. Het geluidsniveau in de laatste nummers wordt flink opgerekt, een finale waarin de bescheiden gitarist Phil Tilli het pluche helemaal van de stoelen speelt.
Als het licht langzaam dooft en het overdonderde publiek al bijna op wil staan is er nog een verrassing: aan de rechterkant van het toneel floept een spot aan en Maginn geeft als afsluiter nog een onvermoede Elvis-persiflage ten beste. Om nog na te genieten is er van de Moke-versies een cd, met een door The Stone Twins prachtig vormgegeven boekje. Het is alleen te koop in de theaters, waar het door de heren met groot plezier wordt gesigneerd, zoals te zien op de foto met gitarist gitarist Phil Tilli op de voorgrond.

(Constellation / De Konkurrent)

Carla Bozulich lijkt aan een muzikale vorm van duiveluitdrijving te doen.
Deze singer songwriter uit Los Angeles draait al een tijdje mee.
Vanaf 1982 maakte ze deel uit van diverse bandjes (o.a. The Geraldine
Fibbers) en werkte samen met o.a. Mike Watt, Nels Cline, Thurston Moore,
Lydia Lunch, Marianne Faithfull, Marc Ribot en Wilco. Sinds 2006 is ze
aanvoerder van het Evangelista-project. Dit is een project, geen band.
Bozulich staat namelijk met één been in de performancekunst
en poëzie en met de andere in de rock en improvisatiemuziek. Haar
rauwe voordracht doet denken aan Patti Smith en Thalia Zedek (Come). De
stukken op In Animal Tongue zijn traag en zwaar, de teksten
onheilspellend. Ze spreekt vaker dan ze zingt. Ze klampt zich aan de
microfoon vast alsof die haar zou kunnen redden als was het een
reddingsboei op open zee. Begeleid door slechts wat sober gitaarspel,
donkere drone, traporgel, xylofoon of een cello lijkt Bozulich
zichzelf in een soort trance te brengen. Het resultaat is indrukwekkend.
Het grijpt je bij de keel.
Of we In Animal Tongue graag een tweede keer opzetten is een tweede. Dit is geen entertainment, eerder exorcisme. Om zo’n plaat te maken moet je lak hebben aan verkoopcijfers. Evangelista zoekt het in een bijna evangelische gedrevenheid. Een titel als Black Jesus had op een plaat van collega zwartkijkers Swans niet misstaan. Het titelnummer zou het prima doen in de soundtrack van een door David Lynch geregisseerde horrorfilm. Geen (zelf)relativerende noot te bekennen op dit egodocument. Op Die Alone lijkt alle hoop definitief gevlogen. “My body has failed me on this cold night / And I’ll die in the dark tonight / Now it’s too late , I see what I’ve done / I killed so many things before they ever begun / I was always coming to your door / Asking for something, then asking for more / I never even knew your story / I never even sat straight enough to hold your body.” Kortom, een gedurfde bijzondere plaat, maar je moet er wel tegen kunnen. Wie intense vocalistes als bijvoorbeeld Jarboe en Hannah Marcus wel kan waarderen, raden we zeker aan Evangelista eens te proberen.
Of we In Animal Tongue graag een tweede keer opzetten is een tweede. Dit is geen entertainment, eerder exorcisme. Om zo’n plaat te maken moet je lak hebben aan verkoopcijfers. Evangelista zoekt het in een bijna evangelische gedrevenheid. Een titel als Black Jesus had op een plaat van collega zwartkijkers Swans niet misstaan. Het titelnummer zou het prima doen in de soundtrack van een door David Lynch geregisseerde horrorfilm. Geen (zelf)relativerende noot te bekennen op dit egodocument. Op Die Alone lijkt alle hoop definitief gevlogen. “My body has failed me on this cold night / And I’ll die in the dark tonight / Now it’s too late , I see what I’ve done / I killed so many things before they ever begun / I was always coming to your door / Asking for something, then asking for more / I never even knew your story / I never even sat straight enough to hold your body.” Kortom, een gedurfde bijzondere plaat, maar je moet er wel tegen kunnen. Wie intense vocalistes als bijvoorbeeld Jarboe en Hannah Marcus wel kan waarderen, raden we zeker aan Evangelista eens te proberen.

(Labrador / Sonic Rendezvous)

Liefhebbers van Scandinavische electronica hadden misschien in 2009 de EP
Humdrum of, eind vorig jaar, Artic Hymn al opgepikt. Zoniet,
dan is daar nu een volledige plaat met de titel The Sea Of Memories.
Onder het motto ‘Dance music for the lazy, the blazers and for the
slightly depressed’ maakt het duo uit het Zweedse Åhus een
soort ambient variant op de vrolijke pop van Röykssop. De nadruk ligt
meer op de ijzige sfeer met daarover galmende ijle zang dan op de beat. Dat
pakt soms goed uit zoals op Another Heaven en de single Artic
Hymn, maar soms straalt de muziek niet alleen een introvert karakter,
maar ook luiheid uit. Iets meer variatie had net het verschil kunnen
maken.
De band geeft aan dat ze juist getracht hebben popinvloeden in de muziek te stoppen, maar die zijn soms ver te zoeken. Het enige echte popnummer is Wicked, waar de zang wordt overgenomen door Elize Zalbo. Een lekker zomernummer, maar wat misplaatst op deze plaat. Juist de soundscape-achtige nummers, zoals Sound Of Silence en slotakkoord Nights, waarin ze het geschipper tussen pop en soundscape lijken los te laten, klinkt Pallers het meest overtuigend. Zweverig, donker en ijzig. Toch is dit debuut drie sterren waard. Er had nog wat geschaafd mogen worden aan Sea Of Memories maar het geheel is stijlvol en met smaak gemaakt. Er is aanmerkelijk slechtere muziek in dit genre. Luister Years Go, Days Pass in de SoundCloud
De band geeft aan dat ze juist getracht hebben popinvloeden in de muziek te stoppen, maar die zijn soms ver te zoeken. Het enige echte popnummer is Wicked, waar de zang wordt overgenomen door Elize Zalbo. Een lekker zomernummer, maar wat misplaatst op deze plaat. Juist de soundscape-achtige nummers, zoals Sound Of Silence en slotakkoord Nights, waarin ze het geschipper tussen pop en soundscape lijken los te laten, klinkt Pallers het meest overtuigend. Zweverig, donker en ijzig. Toch is dit debuut drie sterren waard. Er had nog wat geschaafd mogen worden aan Sea Of Memories maar het geheel is stijlvol en met smaak gemaakt. Er is aanmerkelijk slechtere muziek in dit genre. Luister Years Go, Days Pass in de SoundCloud
(Morr Music / De Konkurrent)

Wie IJslandse popmuziek associeert met ingetogen gloomy folk gaat
eraan voorbij dat dit eiland ons ook ooit de vrolijke tonen van de
Sugarcubes bracht. Dat er midden in de Atlantische Oceaan nog plek is voor
hippe electro-pop bewijst het duo Árni Rúnar
Hlöðversson en Lóa Hlín
Hjálmtýsdóttir oftewel FM Belfast. Oorspronkelijk is
de band ontstaan als grapje, wat leidde tot de nogal melige debuutplaat
How To Make Friends. Maar intussen begint FM Belfast stabielere
vormen aan te nemen. Na twee jaar uitgebreid touren doken de kernleden de
studio in met hulp van bevriende bandleden van Múm en Borko. Het
resultaat roept vooral associaties op met de Franse electro-acts Yelle en
Nôze. Een Beetje kitsch, licht funky beats en gekke vocalen.
American en Vertigo lijken gemaakt voor de festivalweide met catchy refreintjes, knorrende synthesizers en opzwepende blazers. Het is echter niet op ieder nummer feest. Rustiger nummers als Noise en We Fall verbeelden de serene droomlandschappen waarin het ritme ondergeschikt is aan de sfeer. Het ingetogen Winter, met zijn ijzige klank, lijkt de essentie van de IJslandse winter te willen vangen. Maar helemaal geslaagd zijn deze wat serieuzere uitstapjes niet. De kracht van deze act ligt toch op een ander muzikaal vlak, wat bewezen wordt met het hypnotiserende hoogtepunt I Don't Want To Go To Sleep Either, waar ze met een simpele repetitieve beat doen waar ze goed in zijn: zorgen dat je niet wilt slapen maar dansen. Bekijk de clip op YouTube
American en Vertigo lijken gemaakt voor de festivalweide met catchy refreintjes, knorrende synthesizers en opzwepende blazers. Het is echter niet op ieder nummer feest. Rustiger nummers als Noise en We Fall verbeelden de serene droomlandschappen waarin het ritme ondergeschikt is aan de sfeer. Het ingetogen Winter, met zijn ijzige klank, lijkt de essentie van de IJslandse winter te willen vangen. Maar helemaal geslaagd zijn deze wat serieuzere uitstapjes niet. De kracht van deze act ligt toch op een ander muzikaal vlak, wat bewezen wordt met het hypnotiserende hoogtepunt I Don't Want To Go To Sleep Either, waar ze met een simpele repetitieve beat doen waar ze goed in zijn: zorgen dat je niet wilt slapen maar dansen. Bekijk de clip op YouTube

