Liefdevolle zoektocht naar verloren jeugd

Stripmaker Pascal Rabaté schreef en tekende een prachtig album, in het Nederlands vertaald als Een Tweede Jeugd, dat in 2009 terecht de Stripschappenning voor het beste buitenlandse boek kreeg. De strip leerde ons hoe de laatste levensfase, die van verval en dood, met gratie, humor en levenslust beleefd kan worden. Een Tweede Jeugd is nu door Rabaté zelf verfilmd. Hij treedt daarmee in de voetsporen van zijn landgenoten en collega’s Joann Sfar (Gainsbourg: Vie Heroïque) en Raid Sattouf (Les beaux gosses), die allebei ook in korte tijd de stap van de tekentafel naar de filmset hebben gezet. Tel daar Chico & Rita, de onlangs uitgekomen animatiefilm van de Spaanse striptekenaar Javier Mariscal bij op, en je kunt misschien voorzichtig spreken van een ontluikend cinematografisch genre: films door stripmakers.
Les Petits Ruisseaux - de distributeur laat de oorspronkelijke Franse titel intact - vertelt het verhaal van zestigplusser Emile, een rustige weduwnaar in de provincie, die bevriend is met zijn absolute tegenpool, de levenslustige Edmond. Als Edmond plotseling overlijdt, besluit Emile in zijn voetsporen te treden. Hij onderneemt een reis die hem niet alleen langs talloze kleurrijke personages voert, maar hem ook terugbrengt naar de liefde en zijn verloren jeugd.
De vraag was natuurlijk of Rabaté erin zou slagen om de subtiele, ontroerende lichtheid van zijn boek naar de film te vertalen, zonder dat lezers de film als dubbelop zouden ervaren. Dat antwoord luidt: ja, maar… Het resultaat is namelijk even speels als de strip, een warm menselijke en aangenaam voortkabbelende film, waarin Rabaté toont dat hij de mogelijkheden van het medium uitstekend kan benutten. De camerabewegingen bijvoorbeeld zijn langzaam en breed, en het plezier in dit medium spat er vanaf. Hij schetst zijn personages bovendien met dezelfde liefde als hun getekende tegenhangers. Wat de film echter ontbeert - maar dat is tevens het grote kenmerk van het medium - is directe toegang tot de gedachtewereld en het gevoelsleven van de hoofdpersoon, die de strip wél bood. Daarom waardeer ik het boek toch meer dan deze verder overigens warm aanbevolen film. Net als Rabatés poging om zijn verhaal naar een breder publiek te brengen, omdat deze geschiedenis van kleine, normale levens (die daardoor een groter en universeler verhaal vertelt) dat ook verdient. Alleen hoop ik dat de filmkijkers hierdoor ook het boek zullen lezen.
Les Petits Ruisseaux gaat vandaag in première. Kijk voor meer info hier.

Vive l’imagination

Ik heb een zwak voor films van striptekenaars. Okay, ook voor stripverfilmingen (hoe wisselend van kwaliteit die ook vaak mogen zijn), maar als stripmakers films gaan maken, weet je zeker dat er vrijwel altijd iets bijzonders volgt. Omdat stripmakers vanuit een ander idioom denken dan klassieke filmmakers. Ze zijn vrij - of liever gezegd vrijer - van de conventies die het medium gewoonlijk hanteert. En dikwijls fantasierijker, juist omdat ze de regels vaak niet kennen.
Dat bevestigde ook Joann Sfar na afloop van zijn biopic over Serge Gainsbourg, Gainsbourg (Vie héroïque), die maandag 15 maart in Rialto Amsterdam in bijzijn van de regisseur zelf in première ging. Tijdens de geanimeerde Q & A vertelde hij levendig over hoe hij zijn crew ertoe bracht die conventies los te laten. Hij deed dat aan de hand van illustraties die hij ter plekke tekende. ‘Ik wilde het shot van Lucy Gordon, die Jane Birkin speelt, als ze wegloopt van Gainsbourg in beeld brengen op een manier waarvan mijn crew zei dat zoiets niet mogelijk was. Dus schoten we de scène op de manier waaraan zij de voorkeur gaven. Nadat we talloze takes gemaakt hadden, waren zij ook wel bereid om het een keer op mijn manier te proberen. Die scène is uiteindelijk in de film beland.’ Gelukkig maar, omdat juist de hand van Sfar de film zo origineel maakt. Net als in MirrorMask (2005) van collega-stripmaker David McKean zijn fantasie en werkelijkheid in Vie héroiqueingenieus in elkaar gevlochten, terwijl de film toch oorspronkelijk blijft.
Neem bijvoorbeeld de dubbelganger. Om de dualiteit van Gainsbourgs persoonlijkheid te illustreren gebruikt Sfar een imaginair personage dat de naam Gueule (Smoel) draagt: de personificatie van Gainsbourgs extremere eigenschappen. Gueule zal een drijvende kracht in zijn artistieke loopbaan worden - en hem tegelijkertijd in grote problemen brengen. Drank, vrouwen - bij voorkeur getrouwd - de aanvaringen met de gevestigde orde, de drang tot provocatie en zelfdestructie: Gueule is er de bron van. Die splitsing tussen de aanvankelijk schuchtere Lucien Ginsburg, die als Serge Gainsbourg tot Frankrijks grootste chansonnier zal uitgroeien, en zijn theatrale alter ego Gueule (beeldschoon vormgegeven in de stijl die Sfar ook als striptekenaar hanteert) werkt feilloos.
Voor een groot deel is dat ook te danken aan de geweldige cast. Zowel titelrolvertolker Eric Elmosnino als Kacey Mottet Klein die Gainsbourg op jonge leeftijd speelt, ZIJN Gainsbourg. Uiterlijk, mimiek, charisma. De helaas tragisch aan haar einde gekomen Lucy Gordon (ze pleegde zelfmoord voor de film uitkwam) zet een prachtig worstelende en breekbare Jane Birkin neer. Doug Jones wekt ondanks zijn expressiehandicap (zijn kostuum) de stripfiguur Gueule tot leven. En wat betreft Brigitte Bardot: ik zag het verschil niet toen Laetitia Casta haar entree maakte.
De filmbeelden zijn bovendien adembenemend: stuk voor stuk waard om een voor een te bekijken, als ware het een strip. En nee, een groot publiek zal de film dan waarschijnlijk niet gaan trekken, daar is hij net te afwijkend, fantasierijk en ja, vreemd voor. Maar dat zou hij wel verdienen.
Gainsbourg (Vie héroïque) draait sinds 15 maart in de Nederlandse bioscopen. Lees ook Natasja's verslag van de première en soirée
.

