Peter Moerenhout
Ayako #2, Een familie om van te houden - Osamu Tezuka
*****
(Uitgeverij L)
Osamu Tezuka is een meester. De man is de geestelijke vader van Astroboy en maakte een strip over het leven van de Boeddha waarvan ik dacht dat hij ontiegelijk saai zou zijn, maar waarvan ik de acht (acht!) dikke delen verslonden heb. Met M/W en Ode aan Kirihito bracht hij ook nog twee entertainende verhalen uit vol sociale kritiek op de Japanse maatschappij. Nu schenkt uitgeverij L ons Ayako, een verhaal in 3 delen. Ik wilde aanvankelijk wachten tot het derde deel uit zou zijn om iets te schrijven, maar de eerste twee delen waren zo meeslepend dat ik er niet aan twijfel dat het slotstuk even goed, zo niet beter, zal zijn.

Ayako is een familiekroniek over de familie Tenge. Die familie was voor WOII één van de rijkste families van Japan en bezat gigantische hoeveelheden grond. Na de oorlog werd alles echter anders en werden zij gedwongen om die grond te herverdelen. De Amerikanen, die daar tot 1952 bleven hangen, hadden daar halvelings de hand in en werden daarom door de rijken veracht. Het verhaal begint met de thuiskomst van Jingo Tenge, de middelste zoon van het gezin. Hij keert terug van het slagveld en het zit er al meteen bovenarms op. Vader schaamt zich dat zijn zoon “niet gestorven is voor de eer van de Keizer”. Jingo ontdekt beetje bij beetje, wat er zich allemaal afgespeeld heeft tijdens zijn afwezigheid. En dat blijkt niet niks te zijn; elk gezinslid heeft wel hier of daar een duister geheim. Jiro is aanvankelijk verontwaardigd maar zinkt stilletjesaan toch steeds dieper en dieper weg in het morele moeras dat zijn familie is.

Tezuka verweeft het verhaal lichtjes met de Japanse geschiedenis, La meglio gioventù nog aan toe, en maakt zijn kroniek zo, naast zeer spannend, ook nog op historisch vlak lezenswaardig. De strapatsen van de familie zelf komen soms aardig in de buurt van een soap, maar Tezuka weet zijn personages genoeg diepgang te geven om die valkuil te ontwijken. Het enige wat hij overhoudt van de soap is het enige wat er doorgaans goed aan is: de suspense. Wanneer het verhaal in het tweede deel wat begint uit te doven speelt Tezuka een meesterzet uit: hij begint, op vrij onregelmatige wijze, stappen vooruit te zetten in de tijd: dan eens één jaar, dan weer zes jaar. Tegen dat je als lezer doorhebt hoe de vork in de steel zit, mag je weer van nul beginnen. De vaart die Tezuka daarmee in het boek steekt is ongekend, zeker voor een klopper van 264 pagina’s.

De personages van Tezuka doen zeer tekenfilmachtig aan. Als mensen roepen wordt hun mond groter dan hun hoofd. Tezuka raast hier vervaarlijk dicht tegen de afgrond van de overdrijving aan maar hij weet zijn bolide, dankzij tal van tragische gebeurtenissen, nog net op de baan te houden. Af en toe bouwt de man een rustpunt in in het verhaal waarvoor hij tekeningen gebruikt van de natuur, de huizen van de hoofdrolspelers of details uit het interieur, meestal aan de inleiding of het einde van een hoofdstuk. Deze tekeningen zijn dan weer zeer realistisch en gedetailleerd. Op sommige momenten wisselt hij zelfs enkele keren per bladzijde van stijl. Je zou denken dat dat het verhaal breekt, maar Tezuka weet wat hij doet. Die wisselende tekenstijlen gooien de lezer immers niet uit het verhaal maar maken het, op bepaalde momenten, zelfs zo realistisch dat je er dieper in meegesleurd wordt. Beter dan dat kan ik het niet uitleggen. Uitgeverij L publiceert de drie delen in hoog tempo. Deel 1 en 2 zijn nog maar pas uit en deel 3 verschijnt in juni. Het is de eerste keer in lange tijd dat ik nog eens uitgekeken heb naar een volgend deel van een stripreeks dus ik kan daar alleen maar blij om zijn.

Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.

Peter Moerenhout
De wandelende man - Jirô Taniguchi
*****
(Casterman)
Jirô Taniguchi is een Japanse grootmeester. Ondanks het feit dat strips daar “manga” heten leunt zijn werk zeer dicht aan bij de Europese traditie. Casterman brengt al een tijdje de ene vertaling na de andere van Taniguchi uit. De wandelende man, de recentste die zij uitgaven, is het boek waarmee hij doorbrak in Europa. In België of Nederland zal dat niet geweest zijn. Dit is de eerste Nederlandstalige uitgave sinds dit boek zo’n twintig jaar geleden debuteerde.

De opzet van het boek is zeer simpel. Het bestaat uit een reeks kortverhaaltjes over de wandelingen die een man maakt. Soms heeft hij een aanleiding, zoals het huren van een videoband (voor de jongeren: dat is een voorloper van de blu-ray) of het kopen van rieten zonneblinden. Evengoed is er geen beweegreden te bekennen. Soms zien we hem thuis vertrekken, soms niet, soms zien we hem thuis aankomen en soms (u raadt het al) niet. Zijn thuis is belangrijk omdat zich daar zijn eega en hond bevinden. Zij vormen zijn klankbord en uitvalsbasis. Zij horen de avonturen die de man meemaakte op zijn tochtjes aan en fungeren zo een beetje als anker met de lezer. Zij zijn ook praktisch de enigen tegen wie de wandelaar in dit boek spreekt.

De wandelingen spelen zich dus veelal in stilte af. Taniguchi geeft in een zeer traag ritme en met prachtige grote platen, het leven in Japan weer. Pure poëzie. U bent gewaarschuwd. De man lijkt zijn wandelingen aan te grijpen om het kind in zich de vrije loop te laten: hij gaat naakt zwemmen in een gesloten zwembad, ziet de zon opkomen van op het dak van een onbekend gebouw en verkent steegjes die zo smal zijn dat hij zich zijwaarts moet bewegen. Soms durft Taniguchi iets te ver gaan en verworden de verhalen tot anekdotes die wel heel dicht bij meligheid aanleunen.

Waarom dan toch dit boek bespreken? Om te beginnen is het tekenwerk van een ontstellend hoog niveau. Taniguchi hanteert een soort klare lijn met heel fijne lijntjes en verwerkt gigantisch veel detail in de pagina’s. Wanneer hij een boom tekent kun je de blaadjes ervan tellen. Ook zijn paginaopbouw, kadrering en perspectieven zijn van een oerdegelijke kwaliteit. De flow die de man bereikt is fantastisch. Dit boek is een schat aan informatie voor mensen die het opbouwen van een strippagina en strips maken in het algemeen onder de knie willen krijgen.

De tweede reden is simpel: ik vind Japan een boeiend land. Zonder veel uitleg krijg je in dit boek een hele hoop simpele details uit het Japanse leven van alledag voorgeschoteld. En dan eens niet Tokio maar een rurale voorstad. Dat maakt dit boek ook ongewild exotisch. Eén minpunt, maar dan wel een gigantisch, zijn de dialogen. Taniguchi wilde die, synchroon met de rest van het boek, waarschijnlijk eenvoudig houden, maar de slinger slaat teveel door naar de verkeerde kant. Ik vermoed dat er zeer veel verloren gegaan is in de vertaling. Mijn tenen krulden bij het lezen van sommige tekstballons. Gelukkig is dit een kijkboek. Ik zal het nooit meer lezen maar vermoed dat ik het wel nog veel zal openslaan.
Peter Moerenhout
Parker Nr. 2, De organisatie - Darwyn Cooke
*****
(Blloan)
In 1962 kwam het eerste Parkerboek van Richard Stark uit. Het was het begin van een omwenteling in het misdaadgenre. Al gauw werd het de norm voor misdaadfictie dat ze rauw geserveerd moest worden, realistisch en onderbouwd. Van de boeken van Stark, die eigenlijk Donald Westlake heette, werden er enkele verfilmd maar op een stripadaptatie moesten we wachten tot 2009.

Darwyn Cooke is geen groentje op het vlak van misdaadstrips en hoewel hij in verschillende toonaarden schrijft, lijkt het laagste en rauwste register zijn voorkeur te genieten. Met De jager leverde hij een zeer goede eerste adaptatie van een Parkerboek af en nu volgt hij die op met De organisatie. Parker (Het hoofdpersonage, duh!) wordt opgejaagd door mannetjes van een gigantisch misdaadsyndicaat. Dat syndicaat heet “De organisatie”. Parker vindt het niet echt aangenaam om doelwit te zijn, hij is meer jager dan prooi, en zet een plan op poten om de organisatie een hak te zetten. Om zichzelf te beschermen en de organisatie af te leiden beslist hij in navolging van Julius Caesar de verdeel en heers-tactiek toe te passen. Hij schrijft brieven, we zijn 1963 dus e-mailen gaat niet, naar een hele rij schimmige vrienden en kennissen en vraagt hen om, allemaal samen, over het gehele land, overvallen op de organisatie plannen. Op die manier moet de organisatie teveel manschappen spreiden en dekken de overvallers elkaar in. Intussen werkt Parker zelf aan een plan om zijn zaakjes met het misdaadsyndicaat op te lossen.

Cooke sloeg in de eerste aflevering al de juiste noten aan en gaat gezwind op hetzelfde elan verder. Deze strip is nogal tekstzwaar omdat er vrij veel monoloog in de mond van een verteller gelegd wordt, maar die is zo spannend en goed geschreven dat dat nooit stoort of de vaart uit de strip haalt. Vermoedelijk zijn veel van de dialogen en teksten rechtstreekse overnames uit de roman waar deze strip op gebaseerd is en is dat de verdienste van Stark zelve. Cooke weet echter duidelijk wat hij juist moet overnemen en wat hij enkel moet verbeelden in de tekeningen. De manier waarop Cooke één en ander in beeld brengt is op zijn minst inventief te noemen. We hebben hier te maken met iemand die het medium van binnen en van buiten kent. Dit boek is een schoolvoorbeeld van technieken die enkel en alleen in strips mogelijk zijn. Vergeet dus maar die boutade dat de strip het kleine broertje van het filmmedium is.

Cooke gebruikt polshorloges om de datum aan te duiden, duidt één en ander qua karakter en voorgeschiedenis van een personage aan de hand van een spelletje monopoly en weet met één enkele spread van een rijdende wagen de gebeurtenissen van 24 uur samen te vatten. Het toppunt zijn echter de vier tussenstukjes middenin deze strip. Cooke beschrijft vier verschillende overvallen die de schavuiten uit Parkers kennissenkring bekokstoven en doet dat telkens op een andere manier en in een andere tekenstijl. Van geïllustreerd proza naar een soort krantenstrip in een stijl die wat weg heeft van The Jetsons tot een met grafieken gelardeerde exposé over hoe een soort illegale lotto georganiseerd wordt. Om duimen en vingers bij af te likken.

Hoewel Cooke in deze interludes van zijn normale stijl afwijkt is zijn hand nog duidelijk herkenbaar. Die gebruikelijke stijl is een evenknie van Starks schrijfstijl: helder en doeltreffend. Cooke weet niet enkel met de gebruikelijke attributen als decor en kledij de sfeer van de jaren zestig op te roepen, ook zijn stijl verwijst ernaar. Denk pin-ups, denk cartooneske personages, denk Mad Men.

Cooke mengt dunne, strakke lijnen op de voorgrond met dikke, grove penseelstreken op de achtergrond en creëert zo een zekere diepte in zijn tekeningen. De grovere decors zorgen voor een perfect tegengewicht voor zijn iets tekenfilmmachtigere figuren. Een meesterzet ook om voor een monochrome blauwe inkleuring te kiezen. Ook de regie van Cooke steekt boven die van vele van zijn vakgenoten uit. Duizelingwekkend rare perspectieven en vreemde shots dragen evenveel bij aan het verhaal en de sfeer als de plot zelf. We zouden bijna gewag kunnen maken van een adaptatie die effectief iets toevoegt aan het geheel, ware het niet dat we daarmee andere, mindere adaptaties in een kwaad daglicht stellen en ik heb geen zin in ruzie met Potter- en/of Twilightfans.

Ook de vertaler krijgt een dikke pluim. Deze strips werden oorspronkelijk in het Engels uitgebracht, de taal bij uitstek voor misdaadromans. Meestal merkt de doorsnee lezer het niet omdat ze enkel Nederlandstalige versies lezen maar heel veel strips worden verpest door een slechte vertaling, (om nog maar te zwijgen van ondertitels bij televisionele recreatie). Hier echter geen slecht gekozen woorden of rare zinsconstructies maar een geloofwaardige flow die je niet uit het verhaal haalt. In het Engels is het derde boek rond Parker al uit en staat het vierde op stapel. Laten wij allemaal bidden tot Blloan dat zij ook deze delen zullen uitbrengen.

Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.

Peter Moerenhout
De foto & de mandarijn - Mark Retera
*****
(Oog & Blik / De Bezige bij)
In de jaren negentig werkte mijn tante voor Sanoma. Af en toe kwam er een doos gratis spullen waar haar gezin zelf geen weg mee wist onze kant uit. Vreemd genoeg zat daar ook het stripblad SjoSji bij. Ik zeg “vreemd” want dit blad stond vol met superstrips en zou mijn eerste kennismaking met Nederlandse strips zijn. Eén van de strips die het meeste is blijven hangen is DirkJan van Mark Retera. Ik moet waarschijnlijk niet meer uitleggen wie of wat DirkJan is want tegenwoordig maakt hij zelfs mooie sier in Humo. In mijn tienerjaren was ik echter de enige op de speelplaats die met de avonturen van DirkJan in de rondte leurde en goeddunken oogstte. Het was, vermoed ik, vooral de onweerstaanbaar droge humor die het hem deed. Eigenlijk was die totaal niet Hollands, maar neigde die eerder naar de Britse variant. Dat DirkJan een sukkel is, net als wijzelf, deed er waarschijnlijk ook wel geen slecht aan.

Retera heeft intussen een twintigtal albums bij elkaar getekend met zijn sullige held in de hoofdrol. En nu is daar De foto & de mandarijn, dat door de uitgeverij als graphic novel gepromoot wordt. Een poging tot serieuzer werk vermoedt men dan. Ik ga er hier niet aan beginnen, de litanie waarin ik roep en keel dat de term graphic novel nergens op slaat, dat wat mij betreft de gewone strookjes van DirkJan ook literatuur zijn, want die zijn te vergelijken met cursiefjes en dat is toch ook een literaire vorm? En dan nog het volgende: 104 pagina’s in stripvorm op pocketformaat is toch eigenlijk geen novel maar eerder een novelle? Enzovoort. En zo verder.

Gra ·phic no ·vel: de m -s: nietszeggende term die vooral gebruikt wordt om oogkleppers die anders geen strip zouden aanraken te verleiden tot het laten vallen van vermelde oogkleppen en die door uitgeverijen op gelijk welke strip geplakt wordt om hogere verkoopscijfers te halen. Nu ja, zolang de stripmaker er beter van wordt mogen ze van mij alles als graphic novel aanbieden. Maar we wijken af. Waarom krijgt deze strip die vlag? En dekt die de lading? Hoewel ook in dit boek DirkJan de hoofdrol speelt is al meteen duidelijk dat we met een heel ander diertje te maken hebben. Ja, er is droge humor, ja er valt te lachen, maar dan eerder een beetje ongemakkelijk. Denk aan The Office of In De Gloria, cringe humor, zoals dat dan heet. DirkJan is hier niet langer een eendimensionale sul maar een stripfiguur waar Retera zichzelf op projecteert. De foto en De mandarijn zijn eigenlijk twee perfect op elkaar aansluitende kortverhalen. In het eerste verhaal, dat vroeger al eens apart uitkwam in de Pincetreeks, beschrijft Retera hoe een schuchtere en verliefde schooljongen zijn grote liefde niet durft aanspreken en dan maar een plan bedenkt om ongemerkt een foto van haar te maken. En dat met even hilarische als tragische gevolgen.

In het tweede deel zijn we vier jaar later en de hoofdfiguur onderneemt, gestuurd door boodschappen uit gelukskoekjes, een Odyssee naar Parijs, alwaar die geliefde zich nu zou ophouden. Buiten DirkJan/Retera zijn er geen vernoemenswaardige personages. We worden het verhaal doorgesleurd aan de hand van een monoloog en enkele denkballons. En meestal zelfs dat niet eens. Retera neemt immers de tijd. Een groot deel van deze strip bestaat uit slechts de verstilde beelden van een door een desolaat en verlaten Parijs zwervende Dirktera. Door middel van schaduw en perspectief weet Retera die platen een ongelofelijke emotionele lading te geven. Onderbroken door af en toe een grap lees je, of beter: zie je, de wanhoop van het hoofdpersonage voortschreiden. Dit gegeven wordt ten top gedreven als DirkJan/Retera uiteindelijk voor de deur staat van het huis waar het meisje zou moeten wonen. De actie verstilt plots nog meer. In zeven beelden, verspreid over 4 pagina’s weet Retera perfect de typische twijfel van een adolescent op liefdespad te vatten.

Retera past ook zijn stijl aan: geen felle kleuren maar zwart-wit. Geen zwarte schaduwen maar rasterwerk. Prachtige verzichten van steden. Een tekenfilmachtige hoofdpersoon met een soms bijna realistisch getekende achtergrond. Het perfecte recept om de lezer het verhaal in te trekken: makkelijk om je te identificeren met de hoofdfiguur en een achtergrond echt genoeg om als “waar” over te komen. Zeer mooie uitgave ook: hardcover, bedrukte kartonnen cover met reliëf, prachtig papier en de barcode verwerkt in de tekening op de achterkant. Klasse, als het ware. Je hebt dit boekje in 10 minuten uit als je doorleest, je kunt een veelvoud aan minuten genieten als je de prenten en stilte helemaal tot je laat doordringen en de inhoud blijft nog langer dan dat in je ziel haken.
Peter Moerenhout
De laatste bronst - Servais
*****
(Dupuis - Collectie Vrije Vlucht)
Jean-Claude Servais heeft intussen de gezegende leeftijd bereikt waarop leerkrachten, treinbestuurders, ambtenaren en steuntrekkers met pensioen mogen gaan. Met andere woorden: de man heeft al een karrenvracht aan strips geproduceerd. Jaren geleden, toen ik er waarschijnlijk te jong voor was, leende ik enkele van zijn strips uit de lokale bibliotheek. Het bleek dat ze meestal over de Ardennen gingen en dat er amper iets in ontplofte. Bummer.

Gelukkig stonden er wel naakte vrouwen in. Maar de verhalen bekoorden me niet. “Veel psychologisch gezwets”, dacht ik toen. Toen het internet zijn intrede deed had ik plots ook geen behoefte meer aan Servais en zijn naakte dames, dus: exit stage right Jean-Claude. Met lichte tegenzin begon ik aan De laatste bronst en slaakte een diepe zucht toen ik op pagina negen hele lappen tekst die uit een roman van één van de personages bleken te komen zag staan. Oh boy. Ik overwoog even om deze tekstblokken over te slaan, maar zo ben ik niet opgevoed. En zowaar, die teksten waren zo slecht nog niet.

Het verhaal begint kalm met een fan van een schrijver die haar idool ontmoet. Ze bezweert de man dat haar eventuele zoon of dochter later een bekend romancier zal worden. De schrijver wenst haar geluk en plots zijn we meer dan twintig jaar verder. De vrouw zit in een gesticht, leeft in een droomwereld en zal voor het eerst haar volwassen dochter ontmoeten. Die, moet ik zeggen, zeer aantrekkelijke dochter kan enkel communiceren met moeder binnen de strikte grenzen van moeders droomwereld en laat zich overhalen om een roman te schrijven. Dochterlief verwacht er niet teveel van maar neemt zich toch voor een boek neer te pennen al was het maar om tot haar moesje door te dringen. Boem: nog romanfragmenten. Het verhaal switcht naar de schrijver die op een gigantisch kasteeldomein inspiratieloos zit te wezen. Zijn jachtopziener blijkt dagboeken bij te houden over de omliggende bossen en in het bijzonder de gedragingen van de daar vertoevende herten. Wham: een derde soort fragmenten.

Langzaam maar zeker verweeft Servais deze drie invalshoeken en zijn personages tot een thriller die best kan beklijven. Meer nog: hij heeft mij een keer of twee beet gehad met een plotwending die ik niet zag aankomen. Ik wil niet opscheppen, maar 90% van de plotwendingen vandaag de dag ruik ik al van op een boogscheut of drie afstand. (waarschijnlijk ligt dat eerder aan het onvermogen van scenaristen heden ten dage om met originele twists te komen aankakken) Nog imposanter wordt het echter als aan het einde van het boek, in een appendix, één en ander uit de doeken wordt gedaan. De prozafragmenten komen uit boeken van vrienden van Servais. Servais heeft dus rond de verhalen van zijn maten een compleet nieuw verhaal geweven. Niet zo extreem moeilijk omdat het spelletje ook zou werken met drie totaal andere auteurs, maar Servais weet op een slimme manier een soort van intertekstuele context op te roepen. Hij zet je als het ware aan het associëren en op de duur zie je geen herten meer baltsen maar de figuren uit het verhaal die een dodelijke dans uitvoeren.

In de goed gestoffeerde appendix kom je vooral meer te weten over de drie andere auteurs wiens werk heeft bijgedragen aan De laatste bronst: biografieën en excerpten. Wel zo fideel van Servais. De tekeningen zijn soms een beetje stug en strak als het op personages aankomt maar de natuurlandschappen, kastelen en lappen bloot vel van Servais zijn wel om vingers en duimen bij af te likken. Servais levert hier in de herfst van zijn leven eigenlijk een zeer geslaagd stukje mixed media af. Niet slecht voor een pensioengerechtigde.
Peter Moerenhout
H.P. Lovecraft - Het onzienbare en andere verhalen - Erik Kriek
*****
(Oog & Blik)

Ik heb al tientallen verstrippingen van het werk van Lovecraft gelezen. Tot vervelens toe zelfs. Na het lezen van Neonomicon van Alan Moore en Jacen Burrows dacht ik: “Dit is het enige wat me nog kan boeien aan Lovecraftiaanse strips, geen slaafse adaptaties maar nieuwe verhalen met dezelfde inslag.” En dan las ik H.P. Lovecraft - Het onzienbare en andere verhalen.

Voor de leken: Lovecraft schreef een hele hoop korte verhalen en novelles tijdens zijn korte leven. Hij creëerde een compleet nieuwe mythologie en een niche binnenin het horrorgenre die alle andere horror oversteeg. Zijn gruwel gaat over wat we nog niet kunnen zien, de monsters die buiten onze dimensie en waarnemingsvelden op de loer liggen, maar vooral over de minuscule betekenis van de mens en onze maatschappij in dat grotere, afschuwelijke geheel. Lovecraft was daarin een meester van suspense en Kriek weet dat effect nog te versterken. Vijf verhalen koos Kriek en geen enkel daarvan is minder dan een grafisch hoogstandje. Hij werkt alles uit in zwart-wit (een zeer donker bruin in het boek zelf, wat nog toevoegt aan de sfeer) en rastert naar lieve lust. Horror beleef je doorgaans door mee te leven met de personages dus is het nodig dat die geloofwaardig zijn. Kriek weet zijn personages gelukkig zeer veel expressiviteit aan te meten. Ze acteren als het ware op het toppunt van hun kunnen. In veel strips is het zo, net zoals in films, dat een slecht getekende prent of een slecht acterend personage, je uit de suspense en flow van het verhaal kan trekken. In dit boek zit je echter gebeiteld wat dat betreft. Mijn ogen waren aan de pagina’s gekluisterd.

Ook met ritme zit het snor. Adaptaties van proza verzanden al snel in een staccato dat dicht tegen illustraties aanleunt in plaats van tegen strips. Sommige verhalen in deze bundel zijn nogal tekstzwaar maar dan wel steeds in dienst van de sfeer. Kriek vertelt nooit als hij kan laten zien. En zo is het goed. Kriek heeft altijd al een archaïsche en toch poppy tekenstijl gehad die hij nu consequent doorzet, echter nooit zonder te verbluffen. Deze verhalen lijken rechtstreeks uit de Creepy of Eerie magazines in hun gouden tijd te komen. En komende van mij is dat een groot compliment.

Ongeveer de enige zwakte die dat soort verhalen soms hadden was de plotwending op het einde. Zo ook in deze bundel. Twee van de drie verhalen hebben een zogenaamde twist op het einde, een verrassende wending in het verhaal. Je ziet die echter steeds van ver aankomen. In het begin van de twintigste eeuw zullen die apotheosen hier of daar wel eens nattigheid langs iemands benen hebben doen lopen, maar hier en nu: nee. Kriek kan er uiteraard niets aan doen dat het bronmateriaal een dergelijke plot heeft en grafisch en striptechnisch zijn het nog steeds juweeltjes dus: geen erg.

De andere verhalen zijn eerder sfeerscheppende stukken die hier en daar een tipje van de sluier oplichten en tonen wat voor afschuwelijks daar mogelijks onder zit en die slagen erin om te beklemmen tot aan het einde. Het boek is prachtig uitgegeven en helemaal in thema gelay-out en heeft een voorwoord en een afsluitend stukje met meer info over Lovecraft en zijn obsessies. Kriek strooit duchtig in het rond met illustraties en zelfs de nummering van de bladzijden is van een thematische aansluitbaarheid. Nice. Kriek lijkt zich in deze bundel te focussen op Dagon en zijn vismensen. Cthulhu, Nyarlathotep en Yog-Sothot komen niet aan bod. Ik hoop dat dat wil zeggen dat Kriek aan nog drie opvolgers werkt. En als u niet weet wie al die kwistenbiebels zijn, dan staat u nog heel veel leesplezier te wachten.

Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.

Peter Moerenhout
Psyren nr. 3 - Toshiaki Iwashiro (en staf)
*****
(Kana)
Grote bambi-ogen, overacting, flitsende actie die soms een gebrek aan verhaal verbergt, machogedrag, veel geblaat en weinig wol… Doorgaans is manga niet echt mijn ding. Natuurlijk zijn er Akira en consorten, meesterwerken die men als rechtgeaarde striplezer moet gelezen hebben. Maar ik had nooit gedacht dat ik nog een manga zou lezen die noch een meesterwerk, noch een op mijn zenuwen werkende strip is.

Het verhaal van Psyren steunt op een premisse waarmee de maker, Toshiaki Iwashiro, twee kanten mee uitkon: ingenieus of rotslecht. Geruchten doen de ronde, geruchten over zeer zeldzame en exclusieve telefoonkaarten. Niemand lijkt echt te weten waarvoor ze dienen, maar er wordt grof geld geboden voor wie zo’n kaart kan vinden en ze wil verkopen. De kaarten blijken toegang te geven tot een apocalyptisch slagveld. Men gebruike de kaart in een telefooncel, men beantwoorde een paar vragen en als men uitgekozen wordt sta je binnen de kortste keren tussen rokende ruines die vergeven zijn van angstaanjagende monsters. Langzaam maar zeker komen we te weten dat dit gedoe één groot spel is. Elke keer als iemand naar dat vreemde landschap wordt getransporteerd is het de bedoeling dat die ergens een telefooncel kan bereiken waardoor hij of zij weer in de echte wereld terecht komen. De opdrachten worden steeds moeilijker en al snel blijkt dat de hoofdprijs van deze opdrachten geen roem of centen inhoud maar het lot van de wereld.

Op zich klinkt dat niet zo bijster boeiend of origineel. De eerste twee albums konden mij niet bekoren, maar in dit derde deel lijkt alles op zijn plaats te vallen. Deze aflevering speelt zich helemaal af in de wereld van Psyren en de actie spat ervan af. De hoofdpersonages zijn constant in de weer met overleven, vechten en discussiëren over de te volgen strategie. Klakkeloze actie is niet mijn ding, des te verrassender dus dat net dit deel ervoor zorgde dat ik het verhaal werd ingetrokken. Dat ligt voor een groot deel aan de ontwikkeling van de plot en de manier waarop de actie wordt behandeld. Langzaam maar zeker komen we meer te weten over de wereld van Psyren. Ik ga hier nu niet verraden wat, maar kan alleszins zeggen dat het qua originaliteit en spanning de juiste kant lijkt op te gaan. De forte van de actie is dat er niet oeverloos heen en weer gemept of geschoten wordt maar dat de deelnemers aan het spel echte puzzels moeten oplossen. Er moet nagedacht worden over hoe ze welk monster zullen aanpakken. Elke persoon heeft ook een bepaalde speciale geestelijke kracht, het blijft natuurlijk manga, maar het is interessant om te lezen hoe ze ertoe komen om bepaalde krachten op trefzekere wijze te bundelen om één of andere misbaksel uit te schakelen.

Ook de mix van personages is er bal op. We krijgen hier te maken met een spierbundel die vroeger een nerd was, een arrogante, egoïstische betweter, een meisje dat al zeer lang in de wereld van Psyren ronddwaalt en dus de de facto leidster is, een ijdele filmster, en nog enkele andere interessante jongsters. Dat er ook nog een driehoeksrelatie in het spel is maakt de interactie des te smeuïger. In de traditie van dit soort manga lijken de personages puur op willekeur en emotie reagerende, ongestuurde projectielen. Het lijkt alsof ze alles wat ze denken en willen er meteen uitflappen. En elk greintje aan reactie of emotie wordt dan nog eens tot in het oneindige gedramatiseerd. Normaal gezien werkt dit ferm op de zenuwen maar in Psyren lijken die verhaalingrediënten expres tot zo’n hoog niveau getild dat het geheel vrij hilarisch wordt.

Iwashiro blijft ook consequent in zijn karaktertekeningen. Op die manier vermijdt hij dat het ongeloofwaardig wordt en bereikt hij bij de lezer een soort van extreme suspension of disbelief. De tekeningen zijn vrij gedetailleerd en gelardeerd met arceringen, dunne lijntjes en pointillisme. Op hun best zijn die meesterlijk uitgevoerd, op hun slechts vrij onoverzichtelijk. Waarschijnlijk heeft het kleine formaat van dit boek daar veel mee te maken. Maar dat is ook typisch voor manga. Een lekkere snack voor de meerwaardezoeker met open geest die tussen het lezen van zware graphic novels door ook eens graag iets luchtigs verteert.
Peter Moerenhout
Pin-Up - Yann & Philippe Berthet
*****
(Dargaud)
Dargaud gaf vorig jaar drie dikke integrale bundelingen uit van de reeks Pin-up van scenarist Yann en tekenaar Philippe Berthet. De drie integralen verzamelen de nummers 1 tot en met 9 die verschenen tussen 1994 en 2005. Ze moeten waarschijnlijk als speerpunt dienen voor album nr. 10, Het dossier Alfred H., dat ook onlangs uitkwam. Een stilte van 6 jaar tussen het laatste en het nieuwste album zorgt er immers voor dat de lezersinteresse taant.

De reeks draait om Dorothy Partington, een sexy dame, die in de eerste 3 albums, op vrij korte tijd, van muurbloempje tot dolle Mina uitgroeit. In chronologische volgorde beleeft ze avonturen tijdens WOII (nrs. 1-3), op een filmset van Alfred Hitchcock (nr. 10), tijdens de Koude oorlog (nrs. 4-6), in Las Vegas tijdens de Vietnamoorlog (nrs. 7-8) en op Hawaï (nr.9). De grote troeven van deze reeks zijn de mooie mannen en vrouwen, de door het verhaal gevlochten historische personages en gebeurtenissen, de ingewikkelde noirachtige plots en de fantastische tekeningen. Yann en Berthet zorgen ervoor dat Dorothy, of Dottie, steeds in situaties terecht komt die haar nopen tot het rondrennen (of het in het bed duiken) in haar nakie. Het meesterschap van Yann zorgt er echter voor dat die stomende scènes nooit gratuit worden. Zo staat ze in de eerste cyclus model voor een kunstenaar die bommenwerpers voorziet van pin-ups en voor stripfiguur Poison Ivy, getekend door iemand die verdacht veel op Milton Caniff lijkt. In de twee afleveringen waarin ze avonturen beleeft in Vegas treed ze dan weer in dienst van een jonge Hugh Hefner. Dat ook haar tegenspelers -en speelsters zich af en toe eens blootgeven zal u niet verassen.

Die insteek is gegeven voor een stripreeks die Pin-up heet maar zou nog niet half zo geslaagd zijn zonder de tekenpen van Berthet. Zijn ronde, wulpse vormen roepen de jaren vijftig met verve op, de hoogdagen van de pin-up. Fans van Betty Boop zullen aan deze reeks zeer veel plezier beleven. De mooie mensen zijn echter slechts de kersen op de taart. Wij lezen deze strips voor het verhaal, niet voor de prentjes meneer. De plots van Yann zijn soms heel ingewikkeld. (Nog een voordeel van de integrales is dat je die dus in één keer tot u kunt nemen) Voor de noir liefhebber is het smullen van de diverse plotwendingen en verassende verhaallijnen die doorheen de reeks lopen. Soms vergaloppeert Yann zich echter en laat hij teveel gebeurtenissen in zijn verhaal het gevolg zijn van toeval. Op zich geen ramp, dit is nog altijd een stripreeks, geen documentaire. Maar meer dan dit zou voor de oplettende lezer misschien irritant geweest zijn.

Die suspension of disbelief heeft men ook nodig als men alle albums snel na elkaar tot zich neemt. Dottie blijft er constant als een lekker, jong ding uitzien. Zelfs al speelt de reeks zich af van ergens in de jaren veertig tot ergens in de jaren zeventig. Hmmm. In ongeveer elk verhaal wordt een uitgebreide nieuwe cast van nevenfiguren geïntroduceert dus daar zit het wel snor met geloofwaardigheid. Het is natuurlijk één van de concepten van de reeks om het over historische gebeurtenissen te hebben en hoe meer decennia er aan bod komen, hoe interessanter. Dus die eeuwig jonge Dottie wordt de makers vergeven. Ik geef toe dat ik ook niet geïnteresseerd ben in de naakte exploten van bejaarden. De historische omkadering is de sterkste troef van de reeks. Een hele hoop gebeurtenissen en bekende figuren passeren aan ons lezersoog: JFK, Bugsy Siegel, Howard Hughes, Jane Fonda, Alfred Hitchcock, Milton Caniff, etcetera. Het leuke is dat Yann de waarheid met voeten treedt en die personen ook een actieve, dus historisch incorrecte, rol laat spelen in zijn verhalen. Het is leuker lezen over wat zo’n figuur misschien had kunnen uitvoeren in zijn tijd dan wat hij echt, 100% zeker volgens de officiële bronnen, heeft gedaan.

De drie integrales hebben elk een toegevoegd dossier waarin, telkens met een inkleding en sfeer die bij de verhalen horen, op luchtige wijze informatie en documentatie over de desbetreffende era’s wordt gegeven. Die zijn zeker de moeite waard om te lezen, niet in het minst door de thematische tekeningen en schetsen van Berthet die de zaak opfleuren. Eén minpuntje is dat de tekeningen in album nr. 9 en 10 een beetje aan authenticiteit inboeten. Deel 1 tot 8 hebben een ietwat floue inkleuring die zeer goed bij het tijdsgewricht past terwijl vanaf deel 9 de computerinkleuring haar intrede doet. Men wisselt ook enkele keren van inkleurder maar van nr. 1 tot 8 weet men de kleuren consistent en “in character” te houden. De twee laatste albums zijn zeker niet slecht ingekleurd maar zien er, in vergelijking tot de andere albums, iets strakker, kouder en afstandelijker uit. Kortom, een zeer intelligente reeks die steeds weet te entertainen, in supermooie uitgaves gegoten. Een ware gek (of een crisislijder) die zich deze albums niet aanschaft.
Peter Moerenhout
Tom Carbon Nr. 6: Lunatoys - Luc Cromheecke & Laurent Letzer & Fritzgerald
*****
(Strip 2000)
Striplezers die de namen Luc Cromheecke en/of Laurent Letzer horen, denken spontaan aan hun tragikomische creatie Plunk. Het duo stripmakers scoorde in het verleden echter al met de avonturen van Tom Carbon.

Tot 1996 verscheen Tom Carbon bij Dupuis. Vier albums zijn verschenen voor de managers van de uitgeverij de touwtjes in handen kregen. Links en rechts werden strips die net niet genoeg winst maakten weggesnoeid. Tom Carbon werd één van die slachtoffers. Gelukkig is er nu uitgeverij Strip 2000 die een deal sloot met Cromheecke en Letzer om de oude, moeilijk te verkrijgen albums 1 tot 4 opnieuw uit te geven en meteen ook nieuw werk de markt op te gooien.

Tom Carbon is een typische stripfiguur: we kennen niets van zijn achtergrond, familie, geschiedenis, job of dergelijke meer. Net zoals Kuifje is hij een wit blad dat langzaamaan ingekleurd wordt. Is er voor het verhaal een kind nodig, dan heeft hij plots een neefje. Die striplogica beperkt zich echter niet tot het personage zelf maar wordt ook in de verhalen tot het uiterste doorgedreven: als een ijskast een deur naar de Middeleeuwen blijkt te zijn, dan is dat gewoon zo. Te nemen of te laten. Dit zesde album bestaat volledig uit nieuw werk. Er is al meteen een groot verschil met de eerste vier albums. Omdat Tom Carbon ten tijde van de uitgave bij Dupuis ook in het tijdschrift Robbedoes gepubliceerd werd maakten Letzer en Cromheecke in die tijd korte, afgeronde verhaaltjes. Dit zesde album is echter één lang verhaal. Het duo krijgt voor het verhaal versterking van Fritzgerald, bekend van scenario’s voor Taco Zip.

Het scenario is van een van de pot geruktheid die we kennen van vroeger. We krijgen marsmannetjes, gekke professors, een planeet waar men enkel plezier kan beleven, zuipende flikken, enzovoort op ons bord gesmeten. De plot zit dan nog eens boordevol personages én we krijgen drie flashbacks te verwerken. Het is een wonder dat het overzichtelijk blijft, maar Letzer en Fritzgerald weten ons met vaste hand doorheen alle plotlijnen te loodsen. Belangrijker is echter de humor. Die gaat van slapstick tot absurdisme en van woordgrap naar situatiehumor. Opmerkelijk is dat vrijwel elke grap geslaagd is. Bij dit soort albums krijg je doorgaans voor elke goede grap een minder geslaagde grap of drie voor de kiezen. De makers lijken ervan doordrongen dat de humor eveneens het bestaansrecht van hun strip is en zorgen ervoor dat geen enkele grap minder is.

Je moet natuurlijk voor dit soort lolligheden zijn. Ik vind variaties op de tuinhark waar men op trapt en die vervolgens in het gezicht slaat en onomatopeeën als “KLOENSJ” persoonlijk hilarisch maar misschien is dit niet elkeens pakkie an. Over de tekeningen kunnen we kort zijn. Cromheecke heeft achter zijn warrige dikkeneuzenstijl al lang geleden een punt gezet. Hij is een meester van expressie, timing en zwier. Net wat belangrijk is in humorstrips. Voor nostalgisten is dit een geschenk uit de hemel, voor striplezers die nog nooit van Tom Carbon gehoord hebben een te ontdekken pareltje. En er is nog meer goed nieuws: op het einde van dit zesde album wordt ons al een zevende beloofd…

Peter Moerenhout
Festival 'Mind The Book' in Gent met de top van de Vlaamse stripwereld.
Op zaterdag 10 maart troepen in het café van De Vooruit in Gent enkele stripmakers samen. Onder de vlag van het literaire festival Mind the Book zullen zij daar hun kunsten vertonen. “Strips kunnen ook literatuur zijn” is al lang geen boude stelling meer. En daarom hoort de graphic novel thuis op Mind the Book. Annelies Verbeke schreef een exclusief kortverhaal dat vervolgens door Peter Moerenhout in een stripscenario werd gegoten. Dat scenario wordt live uitgetekend door een dwarsdoorsnede van het beste dat de Vlaamse stripwereld te bieden heeft.

Pieter De Poortere is vooral bekend van Boerke in Focus Knack en zijn gigantische zoekplaten voor evenementen als de Boekenbeurs. Zijn creaties zijn bekend tot in Parijs waar in juli 2011 een stripmuur met Boerke werd onthuld. Een man van de klare lijn en de gulle lach.

Ilah levert al jarenlang strips als Cordelia en Mirah aan bladen zoals Flair en De Morgen. Ze publiceerde eveneens in Focus Knack, De Standaard, Menzo en tal van andere bladen. Herkenbare en soms autobiografische situaties, soms sensueel, soms ontroerend maar steeds grappig.

Serge Baeken omschrijft zichzelf als grafisch huurling en dat die vlag de lading dekt zien we aan zijn output: illustraties voor HP/De Tijd, strips als The No Stories en ZZZ, CD-covers, etcetera. Baeken hanteert, als een ware grafische kameleon, voor elk project een passende stijl.

Pinda vaart een eigen koers in de grafische wereld. De man neemt enkel projecten aan waar hij voor de volle 100% achter staat. Dat kan een samenwerking met een toneelgezelschap zijn, zijn bevreemdende kortstrip Aleize of de graphic novel waar hij nu aan werkt.

Maarten De Saeger heeft gewerkt als inkleurder voor een meester als Simon Spruyt. De Saeger heeft echter meer in zijn mars. Diverse korte strips die hier en daar opdoken in magazines als Humo, Focus Knack en Plots Stripmagazine getuigen daarvan. Momenteel werkt hij aan een eerste graphic novel. En daar zijn we blij mee.

Kristof Spaey tekent vooral thrillers in een realistische stijl. Actie, plottwists en mooie vrouwen sieren zijn pagina’s. Toch ontbreekt de nodige diepgang in zijn vertelsels niet. Als bewijsstuk moet u maar eens de trilogie Misschien, Ooit en Nooit lezen die Marc Legendre voor hem schreef.

Dieter van der Ougstraete houdt van buitenbeentjes. Zijn werk wordt bevolkt door vreemde en verknipte figuren in felle kleuren. Hij is (nog) geen sant in eigen land maar werd wel al gepubliceerd in Frankrijk, de USA, Mexico, Korea en dergelijke meer. Iemand om in het oog te houden dus.

Val Gallardo is een Française. Gelukkig voor ons heeft ze zich echter in België gevestigd. Onder de naam "Val Gallordo" maakt deze jonge tekenares bedrieglijk eenvoudige strips met vaak zeer absurde en schokkende onderwerpen. Gallardo schuwt felle en experimentele inkleuringen niet en weet zich daarmee een plekje te vrijwaren in een underground waar het sowieso vechten is om op te vallen. Aan u om haar werk te beoordelen maar voor ons springt ze alleszins boven haar vakgenoten uit.

Peter Moerenhout was een van de oprichters van het stripmagazine Plots. Hij schrijft strips (o.a. I Love/Hate Paris met Erika Raeven en Maarten Vande Wiele), hij schrijft over strips (Zone 5300, Stripgids, Stripschrift enz…) en publiceerde ook reeds proza in bladen als De Standaard en De Brakke Hond. Meer info over dit festival leest u hier.
Peter Moerenhout
Laat die bassen beuken, Bruno! - Baru
*****
(Sherpa)
Baru staat bekend om zijn strips met maatschappijkritische inslag. Ook in Laat die bassen beuken, Bruno! is daaraan geen gebrek. Gelukkig verstaat de man de kunst om het verhaal voorop te stellen en niet te gaan preken. In dit boek worden twee verhalen door elkaar heen geweven. Allereerst zijn er de belevenissen van een jonge, zwarte illegaal die voetballer wil worden en ten tweede is er een misdaadverhaal over drie oude knarren die nog een laatste grote slag willen slaan.

Het maatschappijkritische zit, zoals u al raden kan, vooral in het verhaal van de jonge voetballer. Zonder je iets door het strot te willen rammen schetst Baru de uitzichtloosheid van een bestaan in wat voor ons slechts een vakantiebestemming is, maar voor vele andere mensen een brute realiteit: Afrika. De belevenissen van de jonge voetballer die in het westen terecht komt, de ontberingen die hij moet doorstaan en de constante angst om opgepakt te worden door de politie worden door Baru in een vlotte en spannende vertelling gegoten. Magistraal is ook hoe hij de aanleiding van het vertrek van de jonge voetballer, en vooral waar dat uiteindelijk op uitdraait, beschrijft.

De tweede plotlijn is er één van het genre dat in films vaak “heist” genoemd wordt: het plannen en uitvoeren van een ingewikkelde misdaad staat centraal. U kunt alle geijkte ingrediënten verwachten: verraad, plottwists en spectaculaire achtervolgingsscènes. Het feit dat het hier om bejaarde boeven gaat is een meerwaarde voor het verhaal, enkel en alleen al omdat die invalshoek weer eens wat anders is. Vooral de kijk van het trio op het leven en de misdaad en het contrast met de kijk van de jongere generatie criminelen levert entertainend leesvoer op. Dat beide verhalen uiteindelijk met elkaar verweven worden wist u al, dat Baru dat naadloos weet te doen geef ik u hier gratis mee. De ontknoping is verrassend en steunt meer op realistische plotwendingen dan we gewend zijn in dit soort verhalen. Wat mij betreft is ook dat een voordeel. De tekeningen van Baru zijn een streling voor het oog. Vooral de manier waarop hij actie en beweging in zijn op het eerste zicht statische stijl weet te steken is een opsteker. Zonder overdadig gebruik van vluchtlijnen en dergelijke weet Baru zijn pagina’s toch flitsend te presenteren. Ik heb het nu niet alleen over de scènes waarin geschoten en gecrasht wordt. Ook de voetbalscènes kennen een vorm van elegantie die er niet om liegt.

Af en toe moest ik toch een wenkbrauw optrekken omdat het verloop van bepaalde gebeurtenissen niet helemaal duidelijk was. Enkele pagina’s later komt de aap echter steeds uit de mouw en dus ik vermoed dat deze passages geen voorbeeld van onkunde zijn maar eerder een techniek om suspense op te bouwen. Een minpuntje dan: de cover wist me niet meteen te overtuigen. Ik dacht eerst met een kinderboek te maken te hebben. Een kort rondje Google leerde me dat ook de originele Franse cover niet om over naar huis te schrijven is. Toch vreemd voor zo’n grote naam. Maar soit: het gaat om de inhoud en die is om duimen en vingers, en misschien zelfs ook lippen en tenen, bij af te likken.

Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.
Peter Moerenhout
Toen David zijn stem verloor - Judith Vanistendael
*****
(Oog & Blik - De Bezige Bij)
Judith Vanistendael gooide zeer hoge ogen met haar tweeluik De maagd en de neger. Pers en publiek keken dus reikhalzend uit naar de opvolger en vooral of ze daarmee haar talent zou bevestigen. Hoewel Vanistendael een notoir twijfelaarster is legde ze de lat voor zichzelf meteen nog wat hoger voor Toen David zijn stem verloor: dik 280 pagina’s in kleur.

In deze graphic novel tackelt Vanistendael de duivel met de grote “K”: kanker. David, een reeds bejaarde man, krijgt aan het begin van het boek de diagnose des doods te horen. Wat nadien komt is een prachtig en zich traag ontvouwend drama over hoe David en zijn naaste familie hiermee omgaan. Op de eerste pagina van het boek zien we een stamboom. Daaraan valt te zien dat we hier niet met een doorsnee familie te maken hebben. David is 20 jaar ouder dan zijn (tweede) vrouw, zijn dochter uit zijn eerste huwelijk is een alleenstaande moeder en zijn dochter uit zijn tweede huwelijk zou zijn kleindochter kunnen zijn. Natuurlijk is zo’n “afwijkend” gezin niet zo vreemd tegenwoordig maar menig stripmaker (of andere scheppende kunstenaar) zou met het thema “kanker” wel al genoeg op zijn bord geschept hebben en het bij een doorsnee gezin houden.

Vanistendael belicht deze familiesituatie op zeer verstandige wijze: als de normaalste zaak van de wereld, en dat is het ook. Meer nog: ze gaat er slechts zijdelings op in. Dit gezin bestaat gewoon, met alle eigenheden en speciallekes die voor iedereen opgaan. Het boek is opgedeeld in hoofdstukken waarin we de situatie vanuit het standpunt van de verschillende familieleden kunnen beleven. Deze aanpak bezorgt het boek een grote gelaagdheid en ook de nodige afwisseling. In het bijzonder de onschuld en naïviteit van dochtertje Tamar en haar beste vriendje Max zorgen voor de broodnodige adempauzes. Vanistendael slaagt er in om een boek over kanker leesbaar en betrekkelijk luchtig te houden. Dat wil echter niet zeggen dat het niet schrijnt. Het is echter een bitterzoete pijn. In dit boek wordt door middel van de dood ook het leven en de liefde gevierd. Door te tonen wat de familie zal verliezen toont Vanistendael ook wat de familie had. En wat ze hadden was mooi.

Een gevaar in boeken als dit is dat men te melig of poëtisch wordt. Vanistendael begeeft zich vaak op zeer dun ijs maar slaagt erin om daar slechts bij een enkele scène door te zakken. Slechts eenmaal vond ik het “erover”. Dat is een zeer persoonlijk sentiment en ik kan nogal een stuk chagrijn zijn soms dus de kans is groot dat u, beste lezer, zich er niet aan zal storen. Vanistendael exploreert in deze strip ook verder haar medium. Meer dan in De maagd en de neger experimenteert ze met ritme, camerastandpunten en bladindeling, steeds met groot succes. Vernieuwend is het niet maar men ziet dat de tekenares nieuwe paden wenst te betreden en dat is een vereiste om als kunstenaar interessant te blijven.

Uiteraard is er ook de toegevoegde dimensie van kleur. Vanistendael weet kleur niet enkel te gebruiken als sfeerschepper maar eveneens als symbolische meerwaarde voor bepaalde scènes. De tekenstijl is ruwer en minder uitgewerkt dan in haar vorige boeken. Dat past wonderwel bij haar verhaal. De symbiose tussen deze manier van tekenen en kleuren is zeer geslaagd. Wat Vanistendael deze keer niet in inkt op papier zet vult ze aan met haar kleuren. Het uitgepuurde uiterlijk van de personages is nog steeds vintage Vanistendael en valt te vergelijken met het werk van Quentin Blake, maar dan iets serieuzer. Dit boek is een grote stap vooruit voor Judith Vanistendael en het is een kleine stap voor u naar de stripboer. U begrijpt me wel.
Peter Moerenhout
Hedendaagse Legendes - Pierre Kristin en Enki Bilal
*****
Casterman
Magisch-realisme, een term die bij vele mensen de haren ten berge doet rijzen. En soms zelfs terecht. Het is namelijk een vrij onbestemd genre dat, wanneer slecht beoefend, al snel uitmondt in lichtvoetige droomfantasieën die geen steek houden en zelden een greintje rode draad bevatten. Deze strip bedient zich van het magisch-realisme maar slaagt wonderwel in zijn opzet.

Deze hardcover is een bundeling van drie strips uit de beginperiode van Enki Bilal: “Het dorpje dat ging vliegen”, “Het schip van steen” en “De onbestaande stad”. In die tijd besefte hij nog dat hij vooral een tekenaar is en werkte hij samen met scenarist Pierre Christin. De drie verhalen in dit boek hebben allemaal dezelfde enigmatische en mysterieuze hoofdrolspeler. Geen Thorgal die het verhaal voortdrijft, maar een katalysator waarrond elk van de drie verhalen wordt opgebouwd. De echte hoofdrolspeler in deze verhalen is de gemeenschap.

Elk hoofdstuk draait rond een groep doorsnee mensen, simpele Jannen (en Jeanninen) met de pet. In het eerste deel is dat een dorp in één of ander bos dat door een corporatie half onteigend wordt, in het tweede deel gaat het om een vissersdorp dat plaats moet maken voor een toeristisch recreatiedomein en in het laatste verhaal gaat het over een groep arbeiders en hun gezinnen die zich afzetten tegen de rijke patroons van de fabrieken waarin ze werken. De thematiek zou u al duidelijk moeten zijn: sociale onrechtvaardigheid en het verzet van de kleine man tegen de grote, rijke boosdoener. Toch loopt Christin niet in de val van zwart en wit. Hij weet genoeg onnozelaars en onsympathieke personages aan beide kanten van zijn medaille te placeren om de nuance te bewaken.

In elk van de verhalen doet er zich plotsklaps een veelal onverklaard voorval voor dat de gemeenschap op stelten zet: het dorp gaat vliegen, de kluizenaar blijkt een echte tovenaar, de ideale stad van de toekomst verrijst uit de grond voor eenieder die zich daar wil vestigen. Kristin overdrijft de magie in zijn verhalen niet en houdt het meestal bij één realiteitsvervagende plottwist. De gevolgen van zijn spielerei zijn veel belangrijker. Aan de hand van de twist, die het normale, alledaagse leven ontwricht, ontleedt hij zijn personages. Zo worden de dynamieken die onze samenleving (spijtig genoeg) kenmerken duidelijk vanuit het innerlijk leven van de hoofdfiguren. Ik sta er steeds van te kijken als sommige mensen een bepaald werk “actueel” noemen en daar dan nog versteld van staan ook. “Amai, in Lord of the rings gaat het over oorlog en nu zijn er ook nog oorlogen.” Zoiets. Ik zal dus niet snel die kaart trekken. Elk verhaal met een beetje thematische diepgang blijft immers, totdat we over een jaar of tienduizend het punt van de gelijke samenleving voor alles en iedereen bereiken, altijd actueel. En toch durf ik stellen dat het laatste verhaal van de drie actueler is dan anderen. Met al die stakingen en de onrechtmatige verdeling van allerhande rijkdommen vandaag de dag komt deze hardcover op het juiste moment bovendrijven.

De uitgave is mooi verzorgd, zoals we dat gewend zijn van Casterman, en in deze bundeling zit ook een kortverhaal dat nooit eerder in albumvorm verscheen. U merkt dat ik het niet over Bilals tekenstijl heb. Veel valt daar niet over te zeggen. Dat zie ik als parate kennis. In deze strips zien we Bilal de aanloop inzetten om met een gigantische sprong over de hoofden van vele andere tekenaars een graai te doen naar genialiteit.

Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.
Peter Moerenhout
Wat Wij Moeten Weten - Willy Linthout
*****
Deel 1: Solden in Griekenland - Deel 2: De ingreep (De Bezige Bij/Oog & Blik)
In 2007 en de daaropvolgende jaren gooide Willy Linthout hoge ogen met zijn stripreeks Het jaar van de olifant. Onder deze titel vertelde hij het gefictionaliseerde relaas van hoe hij en zijn omgeving omgingen met de zelfmoord van zijn zoon Sam. De reeks Wat wij moeten weten is in zekere zin een spin-off van Het jaar van de olifant. Willy’s alter ego, Karel, duikt ook in deze stripreeks op.

Wat wij moeten weten draait echter meer rond de moeder en de twee broers van Karel. We krijgen dus een inkijkje in de ruimere familiecirkel van Karel Germonprez. “Moedre” leeft samen met haar zoon Valère in een stil en rustig Vlaams dorp. In de eerste twee delen van de stripreeks wordt er vooral op hen gefocust. Valère is een jonkman die nog steeds bij de steeds meer met haar gezondheid sukkelende Moedre inwoont. Linthout weet de relatie tussen de twee zeer scherp te beschrijven. Valère en Moedre lopen dag in dag uit op elkaar te kankeren, maar onderhuids broedt een duidelijke liefde voor en afhankelijkheid van elkaar. Broer Roger is gelukkig getrouwd en komt semiwekelijks over de vloer bij Moedre, alwaar hij zich te goed doet aan een sloot of twee alcohol. Dat alcoholgebruik lijkt zich te ontwikkelen als een tweede verhaallijn in de strip.

Chronologisch gezien speelt deze strip zich af voor en tijdens Het jaar van de olifant en handelt hij eveneens over de repercussies daarvan. In Wat wij moeten weten wordt er echter meer ingezoomd op wat dat met Moedre en de rest van de familie doet. Linthout schetst in deze strip het simpele dorpsleven dat mij persoonlijk zeer bekend voorkomt: blijven plakken in dorpscafés, argwaan tegenover “De grote stad”, de bakker die aan huis komt leveren, … Het feit dat dat gevoel van herkenning bij mij in zo’n grote mate aanwezig was bewijst dat Linthout zijn tableau op voortreffelijke wijze weet te scheppen. Mensen die De helaasheid der dingen gelezen of gezien hebben zullen eveneens enkele thematische gelijkaardigheden ontdekken. Denk nu niet dat deze strip een doorslag is van De helaasheid… Het verhaal dat Linthout vertelt is van een totaal andere orde en bovendien heeft niemand het monopolie op het kleindorpelijke drama. Wat het meeste opvalt aan de strip en waar ik het meeste van genoten heb is het surrealisme dat Linthout, meer nog dan in Het jaar van de olifant in het verhaal binnensmokkelt. Zo is Valère een onverbeterlijke knutselaar die de zotste gebruiksvoorwerpen in elkaar flanst. Ik wil niets verklappen maar hetgeen hij uitvindt om Moedre uit zijn persoonlijke lade te houden heeft hilarische gevolgen.

Ook een goede vondst is het regeltje tekst waarmee Linthout elk hoofdstuk afsluit. Dit is meestal een droge, puur praktische en beschrijvende zin die op komische wijze iets over het gehele stripverhaal zegt. Linthout hanteert voor deze strip dezelfde stijl als voor Het jaar van de olifant en presenteert ons zijn afgewerkte potloodschetsen. Deze zet verhoogt de geloofwaardigheid van het verhaal want hoewel hij op dezelfde cartooneske manier als voor zijn Urbanusstrips tekent is het juist dat rauwe en onafgewerkte dat de gebeurtenissen realistischer doet overkomen. Wat wij moeten weten verenigt het komische met het tragische en weet op beide vlakken de juiste noten te raken. In principe weet Linthout de humor, de setting, de stijl en de thematiek van Het jaar van de olifant en de Urbanusreeks te vermengen met elkaar. En tot nog toe pakt die mayonaise zeer goed.
Peter Moerenhout
Murphy’s Miserable Space Adventures - Charlotte Dumortier
*****
(Oogachtend)
Charlotte Dumortier studeerde dit jaar af aan Sint-Lukas Brussel, in de vakgroep striptekenen. Als masterproef maakte ze zeven boekjes met korte gags over een eenzame ruimtevaarder die ze Murphy doopte. Johan Stuyck, die lesgeeft op Sint-Lukas, vond die boekjes zo goed dat hij haar voorstelde om ze uit te geven bij Oogachtend. Maar wat vinden wij daarvan?

Wel, eerst en vooral is dit een boek voor mensen die graag kijken. Normale gagstrips hebben een vrij strikte structuur: een zelfde aantal prentjes, steeds dezelfde lay-out of opbouw. De strips van Dumortier dienden als masterproef en daarvoor worden de studenten aangespoord om al hun kunsten te etaleren. Een gevolg daarvan is dat Dumortier loos gaat met lay-out, ritme, inkleuring en dergelijke meer. Gevolg daarvan is dat geen enkele gag of pagina dezelfde is. Dat had een warboel kunnen worden, ware het niet dat Dumortier het effect van de verschillen tussen de gags weet te breken door het tussenvoegen van op zichzelf staande, meestal paginagrote tekeningen. Die fungeren als een soort van rustpunt en herbergen soms een grap op zichzelf. Ze weet die prenten ook inhoud te geven door erin te verwijzen naar eerdere of nog komende gags en ook dat werkt de cohesie van het boek in de hand.

De avonturen van Murphy eindigen steeds op dezelfde manier: de dood van de (anti)held. Dat moet aan de ene kant een enorme steun geweest zijn bij het maken van de strips omdat men op die manier toch enige scenariële houvast heeft, maar aan de andere kant kan dat uiteraard ook leiden tot herhaling en autoplagiaat. Dumortier weet die valstrikken zeer goed te ontwijken. Murphy verzon een gigantisch scala aan levenseindes die vrijwel allemaal even grappig als onverwacht aankomen. De tekeningen zijn van een hoog niveau en doen zeer poppy aan. Zonder Dumortier op hetzelfde niveau te willen zetten, ze staat nu eenmaal nog maar aan het begin van haar carrière, zou ik haar toch in dezelfde map klasseren als een John Kricfalusi of een minder gedetailleerd tekenende Paul Pope. Dumortier abstraheert veel meer dan die laatste maar qua feel vind ik haar vergelijkbaar.

Liefhebbers van strips als Hägar De Verschrikkelijke zijn waarschijnlijk aan het foute adres bij deze strip omdat al de vormexperimenten de traditionele lezer misschien wat zullen afschrikken, maar eenieder met een open geest en wat kloten aan zijn of haar lijf zal zich door de aanschaf van deze strip geen buil vallen.

Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.
Peter Moerenhout
Mezek - André Juillard & Yann
*****
(Le Lombard / Collectie Getekend)
De collectie Getekend van Le Lombard zorgt steeds voor lekker leesmateriaal. De imprint bestaat al meer dan vijfentwintig jaar en heeft nog geen veertig albums opgeleverd. Dat wil zeggen dat men streng selecteert voor opname. Goed zo. Ook Mezek staat garant voor een interessant uurtje lezen.

Laat ik voor de verandering eens beginnen met de tekenaar. André Juillard is bepaald geen sukkelaar. De man heeft met strips als Het dagboek en De lange reis van Lena al bewezen dat hij met kundige hand een prachtige wereld kan scheppen. Zijn potloodtekeningen leunen dicht tegen de klare lijn aan maar hij weet er meer realisme in te leggen dan pakweg Hergé. Dat heeft veel met de inkleuring te maken die meer diepgang heeft dan de kleuren die doorgaans aan dit soort tekeningen worden toebedeeld. In deze strip is actie en techniek zeer belangrijk aangezien het verhaal over piloten en oorlog handelt. Ik ben geen ingenieur maar de vliegtuigen die Juillard op het blad zet lijken me technisch extreem goed onderbouwd. En dat draagt toe aan de smaak van het geheel nietwaar?

Denk bij deze strip nu alstublieft niet meteen aan Buck Danny of iets dergelijks. Het verhaal dat scenarist Yann uit zijn mouw schudt is toch iets serieuzer van aard. Het boek speelt zich af in 1948 en handelt over de Israëlische staat in haar kinderschoenen. In die periode voerde Israël oorlog met Egypte maar beschikte het amper over goede vliegtuigen en piloten. Daarom werden die ingehuurd en blijkbaar zaten daar ook Duitsers tussen die in WOII meegevochten hebben. Zo’n gegeven lijkt me extreem interessant. Toch liep scenarist Yann al jaren te leuren met zijn project. Het was pas toen Juillard erover las in een interview met Yann en de man contacteerde dat het project, pun 100% intended, vleugels kreeg.

Ook het feit dat alle in de strip gegeven historische informatie nieuw voor me was kon me enorm bekoren. Men is blijkbaar nooit te oud om bij te leren. Aan de andere kant is juist die informatie één van de weinige minpunten van deze strip. Soms wordt er iets te lang gepalaverd en zijn de tekstballonnen iets te zeer volgestouwd met woorden. Maar dat is uiteraard mijn persoonlijke smaak. Ik ben er zeker van dat geschiedenisliefhebbers met veel plezier deze teksten tot zich zullen nemen. Gelukkig is er ruimte voor intrige en ook wat sexy time. Hoofdpersonage Björn houdt er relaties met drie verschillende vrouwen op na en blijkt heel wat geraamtes in zijn kast hebben te zitten. Naarmate die er komen uitkletteren wordt het verhaal, na een vrij trage start, ook spannender. Mezek is een waardevolle toevoeging aan Getekend en een aanrader om onder de kerstboom te leggen voor papa, mama, opa, oma, jezelf of je lief. Er vanuitgaand dat wij dikke, zweterige, oude striplezers uiteraard een lief hebben. Cue: verontwaardigde reacties van mensen die geen gevoel voor humor, relativering en/of zelfspot hebben.

Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.
Peter Moerenhout
Aan boord van de Morgenster - Riff Reb’s
*****
(Silvester / HC - € 19,95)
Het verstrippen van 'literaire' romans kent een hoge vlucht. De redenen daarvoor zijn legio. De makers willen een hoogstaande strip maken, het medium strip op een hoger niveau tillen, maken een adaptatie die op creatieve wijze omgaat met het bronmateriaal of willen simpelweg met een succesvol verhaal makkelijk geld binnen halen. Aan boord van de Morgenster is een adaptatie van een roman van Pierre Mac Orlan, maar is vermoedelijk een werk van liefde. Als Riff Reb’s het voor het geld deed, had hij wel Harry Potter proberen te verstrippen.

We mogen in onze handjes wrijven dat Reb’s deze taak op zich heeft genomen. Eerst dacht ik: “Pfff, weer een piratenstrip”, maar deze is toch anders dan de rest. Naar alle waarschijnlijkheid heeft het originele boek daar veel mee te maken. Aan de teksten in dit boek hangt wat meer vlees dan in de doorsnee strip. Het verhaal heeft niet echt een plot en bestaat uit korte chronologische verhalen over een jongen die piraat wordt en later, als oude en verbitterde man, terugkijkt op zijn leven. De kracht van de verhalen ligt enerzijds in de historische correctheid, Reb’s heeft zich enig opzoekwerk gepermitteerd, en anderzijds in de poëtische benadering van de piraat. Eenzaamheid, verliefdheid, woede, moordlust: allen aanwezig. De verhalen variëren van zeer goed tot slechts entertainend. Enkele slagen er niet meteen in om de inhoud of de sfeer die Reb’s waarschijnlijk wilde overbrengen uit te beelden. Een roman adapteren is geen makkelijk werk, men moet zeer kundig zijn in het kiezen wat je overbrengt en wat je weg laat.

Hoewel ik de kriebels krijg van te overdreven literair taalgebruik slaagt Reb’s (en dus ook de vertaler) erin om de grens naar semipoëtische drek niet te overschrijden. Er staan enkele pareltjes van beschrijvende zinnen in dit boek. Dat is doorgaans geen gewoonte in strips en alleen daarom al is dit boek het aanschaffen waard. Reb’s, echte naam Dominique Duprez, werkt al enkele decennia in de stripwereld en het minste wat je van zijn tekeningen kunt zeggen is dat ze kundig vervaardigd zijn. Reb’s hanteert een krasserige stijl. Geheel naar één van de door Scott McCloud omschreven stripprincipes dat handelt over realisme in decor en identificatie met de personages in de strip, laat hij die stijl in de achtergronden neigen naar realisme met veel arcering terwijl hij de personages net iets cartoonesquer tekent. Volgens McCloud ervaren we een verhaal als spannender en echter als de achtergronden meer waarheidsgetrouw zijn en leven we meer mee met stripfiguren als die uit simpele gelaatstrekken zijn opgetrokken. De inkleuring is monochroom en wisselt van verhaal tot verhaal. Soms, om een bepaald effect te bereiken, verandert het palet ook binnen hetzelfde hoofdstuk. Ik kan niet zeggen dat ik er wild van ben. Doeltreffend: ja, sfeervol: ja, maar iets zegt me dat de tekeningen van Reb’s in volle kleurenpracht nog beter tot hun recht zouden komen. Iedereen die enkel serieuze strips en graphic novels leest maar stiekem toch nog altijd een beetje een belhamel is die zich de schrik der zeven zeeën waant, zal met volle teugen van dit boek kunnen genieten. Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.
Peter Moerenhout
Airborne 44 - Philippe Jarbinet
*****
(Casterman, Integrale (nrs. 1-2): HC - € 20. Nr. 3 - Omaha Beach: HC - € 11.50)
Jarbinet is als stripmaker vooral bekend om De as van de Katharen, maar kwam in 2009 op de proppen met een tweeluik rond WOII: Waar de mannen vallen en Morgen zullen wij er niet meer zijn. Dat tweeluik verscheen onlangs in een integrale. De aanleiding daarvoor is de verschijning van het eerste deel van een tweede tweeluik onder de naam Airborne 44: Omaha Beach. De verhalen en de personages in deze twee tweeluiken hebben totaal niets met elkaar te maken. Toch volgt hier een recensie over het geheel. De sfeer, tekeningen, dialogen en het vakmanschap zijn immers van gelijke orde.

Beide verhalen draaien rond de impact van de tweede wereldoorlog op menselijk niveau. Met verbazend gemak propt Jarbinet een heleboel verschillende personages en hun verhalen in zijn strips en weet hij ze genuanceerd af te schilderen. Aan de Duitse kant lopen er natuurlijk enkele regelrechte smeerlappen rond. Het blijven de slechteriken natuurlijk, maar praktisch alle personages hebben hun donkere en lichte zijde. Even vreesde ik voor een te zacht voortkabbelende strip met vooral heel veel gebabbel, maar op de gepaste momenten barst de bom. De psychologische en kalme scènes wisselen af met filmische actiescènes. Vaak is de actie in een Europese strip niet om over naar huis te schrijven maar Jarbinet slaagt erin om de gevechten in zijn strip een zekere bombast mee te geven zonder de personages uit het oog te verliezen.

De stijl van Jarbinet heeft daar veel mee te maken. Jarbinet hanteert een realistische stijl die dicht tegen die van Vance aanleunt. Hij slaagt er echter in om zijn tekeningen levendiger te houden. Geen stramme houdingen, maar vloeiend tekenwerk. Hij kleurt zijn werk rechtstreeks in met verf en dat zorgt voor een heldere levendigheid die je niet vaak ziet in dit soort strips. Elk plaatje is een prachtig miniatuurschilderijtje. Voor de strips werkte Jarbinet samen met Philippe Gillian, de conservator van een oorlogsmuseum. Diens taak bestond eruit de historische details te controleren. De strips zijn bijgevolg een zeer gedetailleerd en historisch correct verslag van bepaalde gebeurtenissen in WOII. Dat maakt deze reeks uiteraard nog net dat tikkeltje interessanter. Ik wist bijvoorbeeld niet dat de Nazi’s rijdende gaskamers hadden. Zo leert een mens nog eens iets bij.

De dialogen van Jarbinet zijn soms op het randje van het cliché maar tuimelen net niet in de afgrond van het melodrama. Ik kan zelfs geloven dat mensen in tijden als deze soms vervallen tot platitudes. Wat valt er immers nog te zeggen in het aanschijn van zoveel ellende? De gruwel valt soms gewoon niet te beschrijven. In die gevallen nemen de tekeningen van Jarbinet het werk over. Verdict: een meesterlijk getekende, goed gestoffeerde maar nooit saaie, stripreeks met perfect gedoseerde afwisseling tussen actie en rustpunten. WOII is toch nog voor iets goed geweest al weegt het ene niet op tegen het andere natuurlijk.
Peter Moerenhout
Green Manor - Fabien Vehlmann & Denis Bodart
*****
(Blloan - HC - € 29,95)
Scenarist Fabien Vehlmann is vooral bekend van de reeks Alleen. Er werden rond de eeuwwisseling ook enkele andere reeksen van de man vertaald, maar die braken niet echt potten. Dat uitgeverij Blloan nu op de proppen komt met een bundeling van Green Manor is daarom een beetje vreemd. Temeer omdat de reeks die als zijn debuut beschouwd kan worden al eens, verspreid over drie albums, in het Nederlands is uitgegeven. Daar komt nog eens bij dat deze strip geen hoofdpersonage kent en een verzameling korte verhalen behelst die enkel een zelfde startlocatie en thematiek kennen. Moeilijk te verkopen me dunkt. Na het eerste verhaal gelezen te hebben wist ik echter meteen dat dit boek een persoonlijke favoriet zou worden.

Green Manor is een Londense gentlemen’s club zoals die alleen in Engeland bestaat: pijprokende heren in smoking jackets die brandy drinken bij het haardvuur, onderwijl straffe verhalen opdissend. De heren in deze club hebben echter een voorliefde voor sinistere mysteries en een groot deel van hen lijkt ook banden te hebben met de politie of Scotland Yard. Elk verhaal begint op dezelfde manier: enkele leden van de club discussiëren over lugubere zaken, zoals een net gepleegde en onopgeloste moord, of voeren een theoretisch gesprek in de trant van “Hoe zou jij een moord aanpakken?”

Onveranderlijk escaleren die gesprekken in daden. Soms moet er een moord opgelost worden, soms moet er één verijdeld worden, maar altijd eindigt het mysterie met een twist aan de ontknoping. Om het geheel geloofwaardig te houden, er kunnen niet elke week dodelijke slachtoffers vallen in of rond dezelfde club, situeert Vehlmann de verhalen enkele jaren uit elkaar. Zijn speelterrein omvat het Londen aan het einde de negentiende eeuw. Onvermijdelijk spoken de geesten van de tijd door de verhalen. Sherlock Holmes, Agatha Christie en Jack De Ripper zijn nooit ver uit de buurt. Vehlmann tackelt bekende opzetten als een moord in een afgesloten kamer of een ongeluk dat uiteindelijk een moord blijkt geweest te zijn met veel gusto. Hij slaagt er meestal in om de lezer enkele stappen voor te zijn en er een hoogst persoonlijke draai aan te geven.

Slechts drie van de zestien verhalen vond ik door te vergezochte plotwendingen iets minder. Dit boek draait, qua opzet, vrijwel volledig om plot. Er is immers nooit veel ruimte om personages te ontwikkelen. Vehlmann slaagt echter in zijn voornemen: praktisch alle verhalen zullen u op hun minst entertainen en op hun meest aan uw stoel kluisteren.

Tekenaar Denis Bodart, vooral bekend van de humoristische strips Spettertje en Vieze sprookjes slaagt erin om zijn stijl op uitstekende wijze naar de verhalen te modelleren. Hij stopt genoeg schwung, beweging en humor in de prenten om niet te gaan vervelen, maar overdrijft daar ook niet mee zoals in zijn humoristische strips. Noemenswaardig is ook wat hij doet met de veelheid aan personages. Telkens weer verschillende mannen tekenen met de volgende kenmerken: “Brits, upper class, tussen de 30 en 70 jaar oud” zou bij vele tekenaars tot niet van elkaar te onderscheiden figuren leiden. Bodart blijkt echter een meester van de karikatuur en geeft elk van hen een makkelijk van de andere personages te onderscheiden uiterlijk mee. Dit boek bevat drie albums die al in één of andere vorm op de Nederlandstalige markt te krijgen waren, meestal enkel in softcover. Blloan schenkt ons, naar iets wat blijkbaar goede gewoonte aan het worden is, een prachtige uitgave. Alle verhalen in één hardcover met een prachtige omslag die voelbaar met reliëf gedrukt is. Voeg daar nog het rode leeslint aan toe en het plaatje is af. Ik betwijfel bovendien ten zeerste of iemand dat leeslint zelfs zal nodig hebben. Ik las dit boek in één ruk uit.

Meer recensies kunt u lezen op zijn blog.
Peter Moerenhout
Syrena - Robert van Raffe
*****
(Eigen beheer, € 5,- te bestellen via robert@dandyraffe.nl)
Aanstormend striptalent Robert van Raffe is momenteel bezig aan zijn eerste graphic novel: Dandy tegen wil & dank. Gelukkig doken er in het verleden hier en daar al wat kortere werkjes van hem op. Zone 5300, Plots Stripmagazine, Eisner, Vormberichten, NRC Next en Passionate publiceerden allen reeds werk hem. Dat zijn niet de minsten.

Dit jaar deed van Raffe mee aan 24 Hour Comic Day en maakte het verhaal Syrena. Hij stuurde het verhaal in voor De Plastieken Plunk, maar greep jammerlijk naast de prijzen. Dat is begrijpelijk, want als men 24 strippagina’s maakt in 24 uur tijd zonder te slapen kan men geen perfectie afleveren. Toch is dit één van de beste 24 Hour Comics die ik onder ogen kreeg sinds Randall. C’s Als er lucht is moet ge ademen. Van Raffe neemt zichzelf als onderwerp. Meestal zijn de resultaten daarvan stevig in de realiteit verankerde filosofische bespiegelingen over het dagelijkse leven. Dat krijg je als je tijd hebt om na te denken over wat je gaat maken en ook een voorliefde hebt voor filosofie.

Syrena is een aaneenschakeling van scènes die zich afspelen met pauzes van soms zelfs acht jaar en handelt in hoofdzaak over hoe mensen zich dingen herinneren en over meisjes. Initieel leidt dit tot een rechttoe rechtaan verhaal, maar later, naarmate slaapgebrek en caffeïnemisbruik zich opstapelen, neemt het verhaal een magisch-realistische wending. Sfeervolle droombeelden vermengen zich met de subjectieve herinneringen van de maker en leiden tot symbolische pagina’s en gebeurtenissen die het verhaal naar een hoger niveau tillen.

Een trucje dat vele tekenaars gebruiken tijdens zo’n tekenmarathon is paginavullende tekeningen maken. Dat gaat lekker snel vooruit. Ook van Raffe hanteert deze techniek af en toe. Meestal leidt dat tot niet veel, maar in Syrena zijn deze pagina’s dankzij hun compositie en onderwerp mijn favorieten. Op sommige pagina’s staat zelfs maar één tekening die niet eens paginavullend is. Deze zijn echter op zo’n manier in het verhaal verwerkt dat het gebruik van dit stijlkenmerk het trucje overstijgt. Met andere woorden: het past in het verhaal en draagt bij aan de sfeer. Van Raffe hanteert een zeer simpele tekenstijl met dunne lijntjes waarvan idioten denken “Hé, dat kan ik ook!” tot ze het proberen en jammerlijk de mist ingaan. Elk van de in minieme aantallen aanwezige lijntjes staat op zijn plaats. Less is more, als het ware. Van Raffe houdt ook tot op het einde van het verhaal dezelfde grafische standaard aan en ook dat is een krachttoer want verlies aan kwaliteit is meer regel dan uitzondering wanneer men aan de 24 Hour Comic Day meedoet. Voor de liefhebber van de betere graphic novel is dit een werkje dat niet in de verzameling mag ontbreken.
Peter Moerenhout
Aya uit Yopougon nr. 6 - Marguerite Abouet & Clément Oubrerie
*****
(Uitgeverij L, € 15,95)
Afrika kan me maar matig interesseren. Sterker, na Antarctica is Afrika mijn minst favoriete werelddeel. Toch heeft de reeks Aya uit Yopougon, die zich grotendeels in Ivoorkust afspeelt, me goed gesmaakt. Dat is een spijtige zaak want op dit zesde deel staat vermeld dat dit het (voorlopige) laatste deel is.

De reeks wordt geschreven door Marguerite Abouet, een Afrikaanse die vlakbij Parijs woont, en getekend door haar man Clément Oubrerie. Marguerite woonde zelf tot haar twaalfde in de wijk Yopougon in Abidjan. Ze weet dus waarover ze schrijft. Toch is dit geen autobiografisch werk. Alle personages en verhalen zijn verzonnen. Enkel de sfeer en manier van leven zijn uit het leven gegrepen. Dat is een plus voor lezers die geboeid zijn door Afrika. De strips zitten ook tsjokvol met de gebruiken, gewoontes en beroepen van onze Afrikaanse broeders. Maar zoals ik al zei, dat doet het niet voor mij.

Mijn liefde voor deze reeks werd vooral opgewekt door de personages en de verhalen. Abouet presenteert ons een zeer uitgebreide cast van vrienden, geliefden, familie en collega’s en verweeft hun levens op kundige wijze met elkaar. Je zou het een soap kunnen noemen, al zijn de verhalen van hoger niveau dan die van soaps op tv. Die verhalen slagen erin om, zonder al te prekerig over te komen, aan een aantal “grote” thema’s te raken: migratie, homoseksualiteit in Afrika, leerkrachten die hun handen niet kunnen thuishouden, enzovoort. Nooit vergeet Abouet echter wat een goede vertelling maakt: spanning, humor en geloofwaardigheid. De humor zit hem vooral in de onhandigheid van de mannen. Het is overduidelijk dat de vrouwen de broek dragen in Afrika. De meeste mannen denken dat ze het heertje zijn maar in feite blijken ze knullige kerels die nooit echt volwassen geworden zijn. Vrouwelijke lezers zullen zich deze strips zonder twijfel laten smaken. Macho’s zonder relativeringszin gelieve zich te onthouden. Wat eveneens bijdraagt tot de humor zijn de met talloze Afrikaanse spreekwoorden doorspekte dialogen. Zeg nu zelf, een gezegde als: “De adem van een grijsaard stinkt, maar zijn woorden niet”, dat is toch om vingers en duimen bij af te likken?

Oubrerie hanteert een krasserige tekenstijl met zeer veel fijne lijntjes die vreemd genoeg toch weids en open aandoet. De inkleuring heeft daar veel mee te maken. Het kleurrijke palet roept veel sfeer en levendigheid op.

De oplettende lezer heeft op dit punt door dat deze recensie eigenlijk niet over het zesde deel van deze reeks gaat maar over de serie zelf. Wie de reeks kent heeft waarschijnlijk alle delen al in huis en hoeft niet meer overtuigd te worden. Maar u daar, diegene die de reeks niet kent, laat u overtuigen en geef het eerste deel een kans. Sterker nog, als u zichzelf al dat heen en weer geloop naar de stripboer wilt besparen, koop meteen alle delen. Zelfs als Afrika u koud laat zullen de personages uw hart verwarmen.

Peter Moerenhout schrijft strips, schrijft over strips en interviewt stripmakers. Hij schrijft ook nog andere dingen en maakt muziek. Ga gerust eens kijken op zijn blog. Het doet geen pijn.