(Asthmatic Kitty / De Konkurrent)

In tien jaar tijd heeft de Amerikaanse multi-instrumentalist Sufjan Stevens
al negen platen gemaakt. De folky gitaarliedjes kregen jaar na jaar een
steeds complexere orkestrale aankleding. Met het groots opgezette project
The BQE leek workaholic Stevens verder dan ooit verwijderd
van zijn eerdere singer-songwriterwerk. Modern klassiek zonder gitaren of
digitale fratsen maar met blazers, stijkers en piano. Hij liet zich
inspireren door de Brooklyn-Queens Expressway, een controversiële
snelweg die de stadsdelen Brooklyn en Queens in New York doorkruist. Op het
New Yorkse Next Wave Festival van 2007 was dit film- en muziekproject voor
het eerst te horen. In 2009 werd het op cd uitgebracht. De chaotische
drukte van de snelweg is (inclusief getoeter) mooi in muziek gevangen. Even
leek hij zich deze keer te beperken tot strijkers, piano en blazers, maar
na twintig minuten kon hij het toch niet laten: in Movement IV: traffic
shock zijn de computerbeats weer terug. En hoe!
Zijn nieuwe plaat The age of Adz is zojuist verschenen. Ook hier de bekende optelsom van strijkers, digitale beats, fluiten, blazers, piano, gevoelvolle solozang en veel koren. Vaak allemaal tegelijk en behoorlijk up-tempo. Hij weet wat hij kan en heeft duidelijk geen zin gehad zich te beperken. Integendeel: Stevens wil juist meer! De opzwepende golven strijkers en fluiten doen soms denken aan Amerikaanse filmsoundtracks uit de jaren ’50 waarin zeilschepen in stormen vol donder en bliksem vergaan. Onbedoeld een toepasselijke associatie: hoe knap bedacht de composities namelijk ook zijn, het geheel dreigt onder zijn eigen gewicht te bezwijken.
Door track nummer twee Too much te noemen lijkt hij zich daar bewust van te zijn, al kan het nummer ook best ergens anders over gaan; de teksten zijn lastig te volgen omdat ze vaak wegvallen in het sonische geweld. Hoeveel fluitriedels kan een Sufjan Stevens-fan verdragen? Veel, maar er zijn grenzen. I want to be well is met dik 6 minuten een aanslag op het uithoudingsvermogen van de luisteraar. Met het gebruik van galm op de zang is hij ook niet bepaald zuinig geweest, wat het geheel nog bombastischer maakt. Een beetje zoet ook, als je daarbij een paar keer ‘I’m so in love!’ zingt, met de dramatische inslag van een Marco Borsato. Stevens dreigt een karikatuur van zichzelf te worden. Zijn ambities zijn met hem op de loop gegaan, met een draak van een plaat als resultaat. Toch is hij één van de interessantere songschrijvers van deze tijd, waardoor je toch nieuwsgierig blijft naar zijn volgende project.
Zijn nieuwe plaat The age of Adz is zojuist verschenen. Ook hier de bekende optelsom van strijkers, digitale beats, fluiten, blazers, piano, gevoelvolle solozang en veel koren. Vaak allemaal tegelijk en behoorlijk up-tempo. Hij weet wat hij kan en heeft duidelijk geen zin gehad zich te beperken. Integendeel: Stevens wil juist meer! De opzwepende golven strijkers en fluiten doen soms denken aan Amerikaanse filmsoundtracks uit de jaren ’50 waarin zeilschepen in stormen vol donder en bliksem vergaan. Onbedoeld een toepasselijke associatie: hoe knap bedacht de composities namelijk ook zijn, het geheel dreigt onder zijn eigen gewicht te bezwijken.
Door track nummer twee Too much te noemen lijkt hij zich daar bewust van te zijn, al kan het nummer ook best ergens anders over gaan; de teksten zijn lastig te volgen omdat ze vaak wegvallen in het sonische geweld. Hoeveel fluitriedels kan een Sufjan Stevens-fan verdragen? Veel, maar er zijn grenzen. I want to be well is met dik 6 minuten een aanslag op het uithoudingsvermogen van de luisteraar. Met het gebruik van galm op de zang is hij ook niet bepaald zuinig geweest, wat het geheel nog bombastischer maakt. Een beetje zoet ook, als je daarbij een paar keer ‘I’m so in love!’ zingt, met de dramatische inslag van een Marco Borsato. Stevens dreigt een karikatuur van zichzelf te worden. Zijn ambities zijn met hem op de loop gegaan, met een draak van een plaat als resultaat. Toch is hij één van de interessantere songschrijvers van deze tijd, waardoor je toch nieuwsgierig blijft naar zijn volgende project.

(eigen beheer)
Vier indierockers uit Gent hebben hun band I Do I Do genoemd. In een band
spelen is immers ook een soort huwelijk als je het serieus aanpakt. En dat
doen ze nu al zes jaar. De band oogstte in 2006 veel lof met de vlammende
gitaarplaat None. Hoe goed de plaat ook was, de hoekige composities
leken nog wel erg op die van het Amerikaanse Come. Na None voegde
ex-Karate-bassist Jeff Goddard zich bij de band. Dat hij zich er thuis
voelt is begrijpelijk; de vele breaks en soms wat jazzy nummers doen,
vooral in het titelnummer, wel een beetje aan Karate denken. More
Light laat duidelijk horen dat de band gegroeid is. De tracks zijn
gevarieerder en het geluid opener. De brabbelende peuter op de achtergrond
in het slotnummer illustreert mooi dat de band in een nieuwe fase zit. Met
het ouder worden wil je wel eens wat vaker rust aan je hoofd, ook in de
studio. Gitarist Stefaan Decroos ruilt zijn elektrische gitaar regelmatig
in voor een akoestisch exemplaar, waar hij werkelijk prachtige
fingerpicking-melodieën uit tovert. Het uit Amerika overgewaaide
postrock-genre is inmiddels wel een beetje geweest. Maar de liefde voor
Amerikaanse muziek is bij I do I do duidelijk gebleven, nu in de vorm van
traditionele volksmuziek als bluegrass, country en blues. Ze hebben
ongetwijfeld naar John Fahey geluisterd, maar ook de invloed van een
hedendaagse gitaargrootheid als Jim o’Rourke hoor je erin terug.
Impure had zo op o’Rourke’s plaat Bad timing
kunnen staan. Decroos’ prachtige gitaarspel steekt met kop en
schouders uit boven zijn nogal vlakke stijl van zingen. Vooral de
akoestische instrumentals smaken naar meer. Als er evenveel
overtuigingskracht in de zang gelegd kon worden zou de band vast op nog
meer succes kunnen rekenen dan ze nu heeft.
Puntenaftrek scoren ze helaas met het amateuristische hoesje in zompige kleuren met tekeningen van achtergrondzangeres Isolde Roose. Kleine bands laten wel vaker een vriend of vriendin de hoes ontwerpen. Dat kan natuurlijk best professioneel artwork opleveren, maar soms ook niet. En dan legt het kritische oordeel het vaak af tegen de vriendschap. Resultaat: klungelige tekeningen en flets design van Decroos zelf. Maar gelukkig gaat het om de muziek, die gewoon erg fijn is. More light is niet in de platenzaken te vinden, maar wel te bestellen via hun website: www.i-do-i-do.be.
Puntenaftrek scoren ze helaas met het amateuristische hoesje in zompige kleuren met tekeningen van achtergrondzangeres Isolde Roose. Kleine bands laten wel vaker een vriend of vriendin de hoes ontwerpen. Dat kan natuurlijk best professioneel artwork opleveren, maar soms ook niet. En dan legt het kritische oordeel het vaak af tegen de vriendschap. Resultaat: klungelige tekeningen en flets design van Decroos zelf. Maar gelukkig gaat het om de muziek, die gewoon erg fijn is. More light is niet in de platenzaken te vinden, maar wel te bestellen via hun website: www.i-do-i-do.be.

(Makkum Records / Clear Spot)

Sinds medebandlid Remko Muermans in Rusland woont is Zea een eenmansband.
Gelukkig heeft de Amsterdamse zanger en multi-instrumentalist Arnold de
Boer meer dan genoeg energie en ideeën voor twee. Opener Song for
electricity gaat er meteen in volle galop vandoor met springerige
electrobeats, gitaar en keyboards. Alsof je een emmer leeg giet. The
Beginner klinkt lekker brutaal, eigenwijs en DIY. Ook erg jaren
’80: Zea combineert de vrolijkheid van Eton Crop met de puntigheid
van Wire. Natuurlijk had deze plaat toen niet gemaakt kunnen zijn vanwege
de prominente rol van elektronica. En solomuzikanten die een compleet
bandgeluid neer zetten bestaan ook pas sinds laptops op het podium
gemeengoed zijn. Vijftien liedjes komen in hoog tempo voorbij. Arnold de
Boer’s ongeremde fantasie heeft een aanstekelijke plaat opgeleverd.
Veelzijdig ook; hij laat zich net zo makkelijk inspireren door een
Ethiopisch liedje als door punk, wavepop, dance, indierock, blues of zelfs
een gedicht van de Vlaamse dichter Eddy van Vliet: Staande ben ik vergeten
wat ik dacht toen ik lag. I follow up front is met een erg catchy
keyboardpartij alvast een favoriet.
Dat is net Samoai is een pittig punknummer met veel distortion. Bourgeous Blues slaat een heel ander pad in. Voor deze cover van Lead Belly, leende de Boer de tekstversie van The Fall: “I’m in a bourgeois town / I’ve got the bourgeois blues, go spread the news around”. Jaja, engagement! Het kan dus nog, ook in apathische tijden. We’ve got a crisis : “We dance to the sound of sirens / Climate crisis, energy crisis, water crisis, government crisis, media crisis!” Zea heeft net als The Ex in Afrika gespeeld en ook met Afrikaanse muzikanten gewerkt. Zingend en scanderend maakt Arnold de Boer zich druk over de wereld om hem heen, al pakt Zea het luchtiger aan dan de meestal wat bozig klinkende GW Sok. Bij Waitress komen we even op adem met alleen een bluesgitaartokkel en duimpiano. Er gebeurt veel in de propvolle nummers, maar gelukkig wordt niet alles dichtgesmeerd, zodat de teksten goed te volgen zijn. Alles is in het Engels gezongen, behalve 20 cent. De stemsamples van een bedelaar lijken letterlijk uit het leven gegrepen. “Vijfentwintig cent, doe nou niet zo krenterig. Twintig cent, dat kun je toch wel missen, pannenkoek!”. Erg grappig. Zulke eigenzinnige muzikanten zijn de krenten in de pap.
Dat is net Samoai is een pittig punknummer met veel distortion. Bourgeous Blues slaat een heel ander pad in. Voor deze cover van Lead Belly, leende de Boer de tekstversie van The Fall: “I’m in a bourgeois town / I’ve got the bourgeois blues, go spread the news around”. Jaja, engagement! Het kan dus nog, ook in apathische tijden. We’ve got a crisis : “We dance to the sound of sirens / Climate crisis, energy crisis, water crisis, government crisis, media crisis!” Zea heeft net als The Ex in Afrika gespeeld en ook met Afrikaanse muzikanten gewerkt. Zingend en scanderend maakt Arnold de Boer zich druk over de wereld om hem heen, al pakt Zea het luchtiger aan dan de meestal wat bozig klinkende GW Sok. Bij Waitress komen we even op adem met alleen een bluesgitaartokkel en duimpiano. Er gebeurt veel in de propvolle nummers, maar gelukkig wordt niet alles dichtgesmeerd, zodat de teksten goed te volgen zijn. Alles is in het Engels gezongen, behalve 20 cent. De stemsamples van een bedelaar lijken letterlijk uit het leven gegrepen. “Vijfentwintig cent, doe nou niet zo krenterig. Twintig cent, dat kun je toch wel missen, pannenkoek!”. Erg grappig. Zulke eigenzinnige muzikanten zijn de krenten in de pap.

(Rough Trade / De Konkurrent)

Het nieuwe album van de Britse Mystery Jets, Serotin genaamd, heeft
een aantal aantrekkelijke ingrediënten. Het recept: men neme een jaren
’80 post-punk bandje als bijvoorbeeld The Cure. Voeg daarbij enkele
herinneringen aan de boeken van Brett Easton Ellis toe. Laat dit geheel ten
slotte mixen door de legendarische producer Chris Thomas, die eerder werkte
met The Sex Pistols, The Pretenders en zelfs The Beatles. Het eindresulaat
is een album vol gepolijste flashbacks naar de gloriedagen van de synthpop.
De synthpopperiode heeft natuurlijk goeie en een stuk minder goeie bands
opgeleverd. Serotin pakt gelukkig over het algemeen de beste
aspecten van de typische popsound van de jaren ’80.
Met opener Alice Springs is het alvast fijn meezingen als je in de stemming bent voor teksten doorspekt met zelfmedelijden. Flash A Hungry Smile is één van de beste nummers omdat ze hier meer een eigen geluid neerzetten, zoals ze ook al deden op hun veelgeprezen debuut Making Dens. Helaas is, op een enkele uitzondering na, ieder nummer een kopie van het vorige. Prima popsongs schrijven is duidelijk niet genoeg. Wanneer je het album als geheel beluistert valt Mystery Jets door gebrek aan variatie genadeloos door de mand. De eerste single van de plaat is Dreaming Of Another World en wijkt juist af van het doornsee Mystery Jets-geluid. Dat het beste nummer buiten hun gangbare recept valt geeft te denken: blijkbaar een lucky shot. Mystery Jets heeft met Serotin een keurig geproduceerd album afgeleverd, maar zal meer uit de kast moeten halen om indruk te maken.
Met opener Alice Springs is het alvast fijn meezingen als je in de stemming bent voor teksten doorspekt met zelfmedelijden. Flash A Hungry Smile is één van de beste nummers omdat ze hier meer een eigen geluid neerzetten, zoals ze ook al deden op hun veelgeprezen debuut Making Dens. Helaas is, op een enkele uitzondering na, ieder nummer een kopie van het vorige. Prima popsongs schrijven is duidelijk niet genoeg. Wanneer je het album als geheel beluistert valt Mystery Jets door gebrek aan variatie genadeloos door de mand. De eerste single van de plaat is Dreaming Of Another World en wijkt juist af van het doornsee Mystery Jets-geluid. Dat het beste nummer buiten hun gangbare recept valt geeft te denken: blijkbaar een lucky shot. Mystery Jets heeft met Serotin een keurig geproduceerd album afgeleverd, maar zal meer uit de kast moeten halen om indruk te maken.
(Sub Pop / De Konkurrent)

Het Sub Pop label brengt voornamelijk garagerock uit. De term is een
vergaarbak waar je nogal uiteenlopende bands in aantreft. De meeste
garagerockers mogen dat neigen naar hoog volume en dito tempo, Jaill pakt
het op That’s How We Burn wat subtieler aan. De muziek van het
viertal uit Milwaukee rockt zeker wel, maar met een hoofdrol voor het
melodische element. De liedjes hebben een middelmatig tempo waardoor ze
niet direct met de deur in huis komen vallen, maar de plaat blijft wel
lekker hangen nadat hij allang is geëindigd. Opener The
Stroller is als één van de weinige nummers op dit album
wél behoorlijk scherp en zet je met hoekig gitaarwerk aanvankelijk
wat op het verkeerde been. Het sinistere geluid van dit nummer laat de band
namelijk wel meteen weer varen.
Everybody’s Hip neigt meer naar vrolijke powerpop. De sfeer van deze track grijpt terug naar de indierock van begin jaren ’90. On The Beat lijkt zittend met akoestische gitaar op het strand geschreven te zijn, wat de volgende tekst opleverde: ‘I saw that you'd made our likeness in sand’ en ‘your surfboard's so sleek’. Baby I zou je dromerige americana kunnen noemen, terwijl How’s The Grave met rappe rock ’n roll weer een andere weg in slaat. Gaandeweg laat deze nog jonge band zien dat ze niet van plan zijn in één hokje gestopt te worden. De één zal dit richtingloosheid of onduidelijkheid noemen, de ander juist veelbelovende veelzijdigheid. Intrigerend is de plaat in ieder geval, wat erom vraagt deze wat onscherpe zomerplaat gewoon nog een paar keer op te zetten.
Everybody’s Hip neigt meer naar vrolijke powerpop. De sfeer van deze track grijpt terug naar de indierock van begin jaren ’90. On The Beat lijkt zittend met akoestische gitaar op het strand geschreven te zijn, wat de volgende tekst opleverde: ‘I saw that you'd made our likeness in sand’ en ‘your surfboard's so sleek’. Baby I zou je dromerige americana kunnen noemen, terwijl How’s The Grave met rappe rock ’n roll weer een andere weg in slaat. Gaandeweg laat deze nog jonge band zien dat ze niet van plan zijn in één hokje gestopt te worden. De één zal dit richtingloosheid of onduidelijkheid noemen, de ander juist veelbelovende veelzijdigheid. Intrigerend is de plaat in ieder geval, wat erom vraagt deze wat onscherpe zomerplaat gewoon nog een paar keer op te zetten.
(Thrill Jockey / De Konkurrent)

Hippe (of wanna-be hippe) bands doen er goed aan een foute muzikale
stijl te adopteren, inclusief gedateerde cd-hoesjes, kapsels en rare
brillen. Je kunt je immers niet onderscheiden met wat door de massa
goedgekeurd is. Muziek uit de jaren ’80 is daar zeer geschikt voor.
Tortoise, invloedrijk avantjazzrock-collectief uit Chicago, doet daar al
jaren aan: tegen de slechte smaak aanschuren met topzware symfonische
stukken die op de jaren ’80 leunen. Ook het vergelijkbare Trans Am
doet aan bombastische kitsch. Het eveneens uit Chicago afkomstige trio
Lazer Crystal komt na twee EP’s voor het eerst met een volwaardige
plaat. De titel is het Romeinse cijfer 1980, wat al een duidelijke hint
is.
Anno 2010 kun je je natuurlijk niet meer onderscheiden met wat wansmakelijke synthesizergeluiden en galmende ritmeboxen. Die zijn inmiddels alweer bijna mainstream. Dan moet je dus met zwaarder geschut komen. Lazer Crystal heeft dat goed begrepen en pakt dan ook nog net ietsje bombastischer uit dan de concurrentie. Daar hoort ook een mission statement bij: “Lazer Crystal believes that we as humans are at the extreme promontory of the centuries. The human race has reached the moment where we must open the mysterious shutters of the impossible to seek the unknown. We are moving beyond Time and Space toward the absolute, since we have discovered eternal, omnipresent speed. OUR MISSION: 1. To create music that reflects this ideal. 2. To present a multi-colored, polyphonic surf of sound and vision, set to the ritual nocturnal vibrations of its arsenal, to be played as an offering of respite.” Of dat ironie is of niet, dat blijft gissen. Maar je band vernoemen naar een door laserstralen bewerkt blok kristal (kitsch kado bij uitstek) is in ieder geval wel een vondst.
De zanger klinkt (wanneer niet zwaar digitaal vervormd) nogal Brits en doet erg aan Philip Oakey van The Human League denken, maar heeft wel een bijrol. Synthesizers en aanverwante apparaten voeren de boventoon, samen met door elkaar heen lopende pulserende ritmes en bliepjes. Dat ze van Kraftwerk houden is vooral duidelijk in Translation, (we r afraid 4 you). De net wat te vaak opduikende van Kraftwerk geleende robotstem is wel een beetje flauw. Het album klinkt in z’n geheel nogal technisch en topzwaar. Muziek mag best gevoelloos en mechanisch zijn, mits daar genoeg goeie ideeën tegenover staan. Die zijn helaas net te mager. Veel variatie zit er namelijk niet tussen de tien nummers. In club en disco zal MCMLXXX er vast wel in gaan, maar in de huiskamer slaat het makkelijk dood, tenzij u een huiskamerfeestje geeft met een bijpassend pilletje XTC om in de sfeer te komen.
Anno 2010 kun je je natuurlijk niet meer onderscheiden met wat wansmakelijke synthesizergeluiden en galmende ritmeboxen. Die zijn inmiddels alweer bijna mainstream. Dan moet je dus met zwaarder geschut komen. Lazer Crystal heeft dat goed begrepen en pakt dan ook nog net ietsje bombastischer uit dan de concurrentie. Daar hoort ook een mission statement bij: “Lazer Crystal believes that we as humans are at the extreme promontory of the centuries. The human race has reached the moment where we must open the mysterious shutters of the impossible to seek the unknown. We are moving beyond Time and Space toward the absolute, since we have discovered eternal, omnipresent speed. OUR MISSION: 1. To create music that reflects this ideal. 2. To present a multi-colored, polyphonic surf of sound and vision, set to the ritual nocturnal vibrations of its arsenal, to be played as an offering of respite.” Of dat ironie is of niet, dat blijft gissen. Maar je band vernoemen naar een door laserstralen bewerkt blok kristal (kitsch kado bij uitstek) is in ieder geval wel een vondst.
De zanger klinkt (wanneer niet zwaar digitaal vervormd) nogal Brits en doet erg aan Philip Oakey van The Human League denken, maar heeft wel een bijrol. Synthesizers en aanverwante apparaten voeren de boventoon, samen met door elkaar heen lopende pulserende ritmes en bliepjes. Dat ze van Kraftwerk houden is vooral duidelijk in Translation, (we r afraid 4 you). De net wat te vaak opduikende van Kraftwerk geleende robotstem is wel een beetje flauw. Het album klinkt in z’n geheel nogal technisch en topzwaar. Muziek mag best gevoelloos en mechanisch zijn, mits daar genoeg goeie ideeën tegenover staan. Die zijn helaas net te mager. Veel variatie zit er namelijk niet tussen de tien nummers. In club en disco zal MCMLXXX er vast wel in gaan, maar in de huiskamer slaat het makkelijk dood, tenzij u een huiskamerfeestje geeft met een bijpassend pilletje XTC om in de sfeer te komen.

(Fat Cat / Bertus)
Richter schreef deze modern klassieke muziek in 2008 voor The Royal Ballet.
Gelukkig is er nu ook buiten het Londense Royal Opera House van te
genieten. Hij heeft het stuk voor deze cd aangevuld met nieuw materiaal.
Richter’s muziek valt binnen het genre ‘modern
gecomponeerd’ omdat hij klassieke instrumenten aanvult met
electronica, in dit geval een strijkkwintet en piano. Het is een subtiele
plaat geworden, erg droevig maar werkelijk prachtig. Liefhebbers van Arvo
Pärts’ Tabula Rasa zouden Infra zeker niet mogen
missen. Dat zijn muziek hier aan doet denken is niet verrassend: hij voerde
al eerder muziek van Pärt uit, evenals stukken van Philip Glass, Brian
Eno en Steve Reich.
Richter studeerde compositie en piano, onder andere aan de Royal Academy of Music. Hij houdt duidelijk niet van franje, wel van Less is more, wat tevens aan het hoesje te zien is. De zeggingskracht van een enkele viool of eenzame piano doet hier zeker niet onder voor een heel orkest. De desolate sfeer en minimalistische aanpak doen ook een beetje aan de pianist Wim Mertens denken, maar Max Richter is experimenteler door toevoeging van elektronica en het gebruik van live sampling. Hij treedt ook wel eens buiten de klassieke paden want heeft eerder met Roni Size en the Future Sound of London gewerkt. Hij zit ten slotte ook niet voor niets bij het vooruitstrevende label Fat Cat. Daarbij won hij in 2007 een European Film Award met zijn soundtrack voor de animatiefilm Waltz with Bashir. Richter is een veelzijdige componist waar we ongetwijfeld meer verrassingen van kunnen verwachten.
Richter studeerde compositie en piano, onder andere aan de Royal Academy of Music. Hij houdt duidelijk niet van franje, wel van Less is more, wat tevens aan het hoesje te zien is. De zeggingskracht van een enkele viool of eenzame piano doet hier zeker niet onder voor een heel orkest. De desolate sfeer en minimalistische aanpak doen ook een beetje aan de pianist Wim Mertens denken, maar Max Richter is experimenteler door toevoeging van elektronica en het gebruik van live sampling. Hij treedt ook wel eens buiten de klassieke paden want heeft eerder met Roni Size en the Future Sound of London gewerkt. Hij zit ten slotte ook niet voor niets bij het vooruitstrevende label Fat Cat. Daarbij won hij in 2007 een European Film Award met zijn soundtrack voor de animatiefilm Waltz with Bashir. Richter is een veelzijdige componist waar we ongetwijfeld meer verrassingen van kunnen verwachten.

(Temporary Residence / De Konkurrent)

Net als Grasscut maakt The Books collagemuziek waar found footage
een grote rol in speelt. Maar de New Yorkers Nick Zammuto en Paul de Jong
gaan wel experimenteler en veelzijdiger te werk dan het Britse duo
Grasscut. Rock, hip-hop-grooves, elektronische beats, popliedjes en flarden
gesproken tekst worden in een prettig tempo afgewisseld. Dit collagerecept
wordt door massa’s thuisknutselaars gebruikt, waardoor het lastig is
een herkenbare stijl te ontwikkelen. Maar daar is The Books zeker in
geslaagd. De samplevirtuozen laten zich hooguit vergelijken met Prefuse 73,
waar ze in 2005 de EP Prefuse 73 reads the Books mee maakten. Ze
spelen niet op safe en gaan nogal eigenzinnig te werk, maar toch heeft dit
album een echt popgevoel.
Na hun succesvolle debuut Thought for food is The way out inmiddels alweer hun vierde plaat. Ze hebben er vijf jaar de tijd voor genomen. De bravoure, speelsheid en humor van Zammuto en de Jong hebben een erg fijne plaat opgeleverd. Ze putten deze keer vooral uit meditatietapes van new age goeroes, gesproken in Engels, Amerikaans of Indiaas accent. De luisteraar wordt onder andere uitgenodigd zijn Buddha belly te eren met voedsel, kosmische energie toe te laten, de voeten naar de oren te brengen en de ogen geen moment af te laten dwalen. De combinatie met de chaotische weirde muziek geeft de tekst een ironie die het oorspronkelijk natuurlijk helemaal niet had. Dat werkt erg goed. Gelukkig herhalen ze dit trucje niet te vaak. De sfeer en inhoud van zang en gesproken tekst is erg divers. In A cold freezin’ night laat een jongetje zijn moorddadige kinderfantasie de vrije loop. The story of hip-hop is een verhaaltje uit een kinderboek over dieren en pratende bloemen. Er komt een openhartige boodschap op een antwoordapparaat langs, dan weer een singer-songwriterliedje à la Yo La Tengo. All you need is a wall wordt gedragen door een lome elektrische gitaar en zwoele 'zangeres' die verrassend genoeg Zammuto zelf blijkt te zijn. Ondanks de grote verschillen tussen al die puzzelstukjes klinkt de plaat wonderwel toch als een geheel. In het afsluitende Group Autogenics II gaan ze zich nog even te buiten aan het verzamelen van maffe esoterische quotes van meditatietapes, aangekleed met opzwepende elektronische beats en synths. “There is no one right way of doing the dishes. Your mind will become a sponge. Stick out your tongue to the universe. Now remove your head completely.” Ga vooral uw gang.
Na hun succesvolle debuut Thought for food is The way out inmiddels alweer hun vierde plaat. Ze hebben er vijf jaar de tijd voor genomen. De bravoure, speelsheid en humor van Zammuto en de Jong hebben een erg fijne plaat opgeleverd. Ze putten deze keer vooral uit meditatietapes van new age goeroes, gesproken in Engels, Amerikaans of Indiaas accent. De luisteraar wordt onder andere uitgenodigd zijn Buddha belly te eren met voedsel, kosmische energie toe te laten, de voeten naar de oren te brengen en de ogen geen moment af te laten dwalen. De combinatie met de chaotische weirde muziek geeft de tekst een ironie die het oorspronkelijk natuurlijk helemaal niet had. Dat werkt erg goed. Gelukkig herhalen ze dit trucje niet te vaak. De sfeer en inhoud van zang en gesproken tekst is erg divers. In A cold freezin’ night laat een jongetje zijn moorddadige kinderfantasie de vrije loop. The story of hip-hop is een verhaaltje uit een kinderboek over dieren en pratende bloemen. Er komt een openhartige boodschap op een antwoordapparaat langs, dan weer een singer-songwriterliedje à la Yo La Tengo. All you need is a wall wordt gedragen door een lome elektrische gitaar en zwoele 'zangeres' die verrassend genoeg Zammuto zelf blijkt te zijn. Ondanks de grote verschillen tussen al die puzzelstukjes klinkt de plaat wonderwel toch als een geheel. In het afsluitende Group Autogenics II gaan ze zich nog even te buiten aan het verzamelen van maffe esoterische quotes van meditatietapes, aangekleed met opzwepende elektronische beats en synths. “There is no one right way of doing the dishes. Your mind will become a sponge. Stick out your tongue to the universe. Now remove your head completely.” Ga vooral uw gang.

(Ninja Tune / PIAS)

De wildgroei aan electronische muziek gaat ook in Engeland onvermoeibaar
door. Grasscut is een nieuwe loot aan de boom. Lokatie: de populaire
badplaats Brighton. Andrew Phillips en Marcus o'Dair noemen hun muziek
experimentele electronica. Dat klink moeilijk, maar dat valt reuze mee, of
tegen zo u wilt. Dit debuutalbum staat vol smaakvolle knip-en-plaktracks en
is ook prettig afwisselend, maar toch denk je na afloop: iets dergelijks
heb ik toch al heel wat keren gehoord (als u het genre een beetje volgt
tenminste). De samples van cassetterecorderstemmetjes, verknipte piano's en
strijkers over springerige beats. Ook de in de folktronicahoek veel
gebruikte combinatie van akoestische instrumenten en computergeluid klinkt
vertrouwd. Grasscut is daarmee even Brits als een kopje Earl Grey met melk.
Opener High Down begint met een aarzelend pianomotiefje, maar barst
al snel los met een Grandaddy-achtig scheursynthesizer. Met de dynamiek zit
het in ieder geval wel goed.
Grasscut maakt veel gebruik van het contrast tussen krakerige oude opnames van zingende en pratende mensen versus electronica. Dit effect komt in heel wat nummers langs en had een uitstekend album op kunnen leveren, als ze het daar maar bij hadden gelaten. Zodra ze zélf gaan zingen zet de verveling acuut in want wat een duffe expressieloze zangpartijen! Menig Brits popbandje heeft er patent op, van die boterzachte vocalen. Vergelijkingen met James Yuill en Tunng dringt zich op. Het is natuurlijk een kwestie van smaak; fans genoeg die dit dromerig en (bij gebrek aan een beter woord) gevoelig noemen. 1946 is wel weer een intrigerende track: een oudere vrouw vertelt over het leven in na-oorlogs Engeland met een fijne subtiele soundscape erachter. Passing heeft een pittige groove die aan Prefuse 73 doet denken. Het had een heel mooi nummer kunnen zijn, maar ook hier gooit zuchtzang weer roet in de microfoon. Afsluiter In her pride is om een oude opname van een folktraditional heen gecomponeerd. Grasscut laat zien hoe moeilijk het anno 2010 is om nog echt vernieuwend te zijn in dit genre. Experimenteel kun je 1 inch / ½ mile dan ook niet noemen: het sluit immers aan bij een traditie. Maar een smaakvol stukje vakwerk is het wel. Geen slechte plaat dus, maar de eindejaarslijstjes zullen ze hier vermoedelijk niet mee halen.
Grasscut maakt veel gebruik van het contrast tussen krakerige oude opnames van zingende en pratende mensen versus electronica. Dit effect komt in heel wat nummers langs en had een uitstekend album op kunnen leveren, als ze het daar maar bij hadden gelaten. Zodra ze zélf gaan zingen zet de verveling acuut in want wat een duffe expressieloze zangpartijen! Menig Brits popbandje heeft er patent op, van die boterzachte vocalen. Vergelijkingen met James Yuill en Tunng dringt zich op. Het is natuurlijk een kwestie van smaak; fans genoeg die dit dromerig en (bij gebrek aan een beter woord) gevoelig noemen. 1946 is wel weer een intrigerende track: een oudere vrouw vertelt over het leven in na-oorlogs Engeland met een fijne subtiele soundscape erachter. Passing heeft een pittige groove die aan Prefuse 73 doet denken. Het had een heel mooi nummer kunnen zijn, maar ook hier gooit zuchtzang weer roet in de microfoon. Afsluiter In her pride is om een oude opname van een folktraditional heen gecomponeerd. Grasscut laat zien hoe moeilijk het anno 2010 is om nog echt vernieuwend te zijn in dit genre. Experimenteel kun je 1 inch / ½ mile dan ook niet noemen: het sluit immers aan bij een traditie. Maar een smaakvol stukje vakwerk is het wel. Geen slechte plaat dus, maar de eindejaarslijstjes zullen ze hier vermoedelijk niet mee halen.

Blues met een zachte G
Wachten op Wachten op de klap

Matthijs Leeuwis (1985) is jong, maar hij klinkt doorleefd. Na het bekijken en beluisteren van zijn MySpacepagina heb ik zijn cd Klei, Stront & Zand meteen besteld. Mooie liedjes over liefde, roken, drinken en over het Brabantse land. Als ze in Brabant nog behoefte krijgen aan een volkslied kunnen ze beter bij Leeuwis terecht dan bij Meeuwis.
Dit is de Nederlandstalige muziek zoals ik hem graag hoor. Ik ben even helemaal klaar met ironische lulligheid à la Spinvis, geaffecteerde meisjesachtigheid à la Roosbeef. (En heb überhaupt nooit iets gehad met hoempapa-Meeuwis of het abstract-poëtische Bl#f).
Leeuwis zingt gewoon het Nederlands.

Blues. Heel overtuigend. Ben benieuwd naar zijn nieuwe album.
(Hieronder een voorproefje).
Klei, stront & zand van het gelijknamige album.
Sluizen, van zijn binnenkort te verschijnen cd Wachten op de klap.
(Surrender All / Bertus)

Het kan verkeren. Begin jaren negentig ontpopte de achttienjarige James
Lavelle zich tot de Ivo Watts (platenbaas van het toen toonaangevende label
4AD) van de elektronische downtempo-muziek, oftewel triphop. Met zijn label
Mo’ Wax was hij een van de producenten die destijds bepaalde welke
sound cool was. Naast producties van anderen bracht hij zelf ook
12”-singles uit. Eerst onder zijn eigen naam, maar in 1994 onder de
naam UNKLE. De eerste E.P. The Time Has Come, gemaakt met het
Japanse hiphop-combo Major Force, was een eerste vingeroefening. Het was de
samenwerking met labelgenoot DJ Shadow die de definitieve blauwdruk vormde
voor UNKLE. Dubby breakbeats, elektronica, psychedelica en vooral
(beroemde) gastvocalisten zouden het handelsmerk vormen. Zo stonden op de
eerste plaat Psyence Fiction (1998) al Richard Ashcroft en Thom
Yorke achter de microfoon. Om de vergelijking met Ivo Watts aan te houden
zou je kunnen zeggen dat Lavelle met UNKLE zijn eigen This Mortal
Coil-project wilde maken. Dat hij daarbij echter vergat om met strakke hand
te produceren, werd op de debuutplaat nog gemaskeerd door de getalenteerde
Shadow. De opvolgers Never Never Land en War Stories maakten
echter pijnlijk duidelijk dat Lavelle zijn visie op het geheel volledig
kwijt was. Dat resulteerde in twee rommelige producties die het moesten
hebben van beroemde gasten, waaronder Ian Astbury, Josh Homme, Robert del
Naja, Brian Eno en Ian Brown. Het waren meer veredelde compilaties dan
coherente projecten. Samen met co-producer Richard File werd er
geëxperimenteerd met rockinvloeden, met maar middelmatig
resultaat.
Met dit in gedachten verwachte ik dat Where Did The Night Fall de laatste oprisping van een voormalig talent zou zijn. Dat valt echter alles mee. Na een kort intro is Follow Me Down meteen een pakkende electro-rocktrack met vocalen van de onbekende zangeres Sleepy Sun. Minpunt is wel zij wel erg de capriolen van de IJslandse Björk nadoet. Aan de andere kant is het lang geleden dat die laatste met een dergelijk fijne song op de proppen kwam. Lavelle weet dit niveau grotendeels vast te houden.
Op Where Did The Night Fall gebruikt hij elementen uit triphop, rock en Britpop maar hij laat geen van de drie genres overheersen. De vocalisten zijn dit keer nagenoeg onbekende artiesten die ondergeschikt zijn aan de centrale productie in plaats van andersom. Voor nummers als The Answer, Joy Factory, Caged Bird, Runaway en Ever Rest zou menig producent en artiest zich niet hoeven te schamen. Er zijn ook mindere nummers, waarvan meest opvallend de bijdrage met de enige bekende gast: Mark Lanegan. Hij geeft de plaat toch een wat mager einde. Dat is jammer want met het vertrek van Richard File lijkt Lavelle eindelijk zijn eigen signatuur op UNKLE heeft durven drukken. Met Where Did The Night Fall heeft Lavelle zich verlost van het juk van de monsterprojecten en zich gericht op het leveren van gewoon een goede plaat.
Met dit in gedachten verwachte ik dat Where Did The Night Fall de laatste oprisping van een voormalig talent zou zijn. Dat valt echter alles mee. Na een kort intro is Follow Me Down meteen een pakkende electro-rocktrack met vocalen van de onbekende zangeres Sleepy Sun. Minpunt is wel zij wel erg de capriolen van de IJslandse Björk nadoet. Aan de andere kant is het lang geleden dat die laatste met een dergelijk fijne song op de proppen kwam. Lavelle weet dit niveau grotendeels vast te houden.
Op Where Did The Night Fall gebruikt hij elementen uit triphop, rock en Britpop maar hij laat geen van de drie genres overheersen. De vocalisten zijn dit keer nagenoeg onbekende artiesten die ondergeschikt zijn aan de centrale productie in plaats van andersom. Voor nummers als The Answer, Joy Factory, Caged Bird, Runaway en Ever Rest zou menig producent en artiest zich niet hoeven te schamen. Er zijn ook mindere nummers, waarvan meest opvallend de bijdrage met de enige bekende gast: Mark Lanegan. Hij geeft de plaat toch een wat mager einde. Dat is jammer want met het vertrek van Richard File lijkt Lavelle eindelijk zijn eigen signatuur op UNKLE heeft durven drukken. Met Where Did The Night Fall heeft Lavelle zich verlost van het juk van de monsterprojecten en zich gericht op het leveren van gewoon een goede plaat.
The Smashing Pumpkins komen met monsterproject
(Bertus)

De nieuwe plaat Teargarden by Kaleidyscope vol.1, Songs for a Sailor
zal 25 mei uitkomen. De EP met 5 nummers is slechts deel één
van een serie van 10 boxen die Billy Corgan en zijn hofhouding de komende
twee jaar van plan is uit te brengen. Het ambitieuze project zal 44 nieuwe
tracks opleveren. Mastermind Corgan legt zoals altijd de lat hoog, maar als
deze eerste EP een graadmeter voor het vervolg is, kunnen we nog heel wat
verwachten. Volgens de frontman grijpt de muziek terug naar de originele
psychedelische roots van de Smashing Pumpkins: “atmospheric, melodic,
heavy and pretty.” Het persbericht spreekt van een project
met de grootse allure van de klassieke dubbelaar Mellon Collie & the
Infinite
Sadness.
De EP wordt uitgebracht in een gezeefdrukte houten doos met een 7”-single, instrumentale intro's en een handbewerkte obelisk. 99 van de hele run komen - 'Golden Ticket' Style - met een speciale Fool's Gold uitvoering van de obelisk. Bij dit alles hoort natuurlijk ook een wereldtoernee. Krijgt u ook zo'n Spinal Tap-gevoel? De term grootheidswaanzin is al vaker gevallen en niet geheel onterecht. Toch blijft elke nieuwe plaat van The Pumpkins weer spannend: wat zullen ze nu weer allemaal uit de kast trekken om hun vorige plaat te overtroeven? En, ook altijd leuk, wat gaat Corgan er zelf over zeggen? We zullen het binnenkort wel lezen.
De EP wordt uitgebracht in een gezeefdrukte houten doos met een 7”-single, instrumentale intro's en een handbewerkte obelisk. 99 van de hele run komen - 'Golden Ticket' Style - met een speciale Fool's Gold uitvoering van de obelisk. Bij dit alles hoort natuurlijk ook een wereldtoernee. Krijgt u ook zo'n Spinal Tap-gevoel? De term grootheidswaanzin is al vaker gevallen en niet geheel onterecht. Toch blijft elke nieuwe plaat van The Pumpkins weer spannend: wat zullen ze nu weer allemaal uit de kast trekken om hun vorige plaat te overtroeven? En, ook altijd leuk, wat gaat Corgan er zelf over zeggen? We zullen het binnenkort wel lezen.
(Fat Cat / Bertus)

De New Yorkse singer-songwriter Nina Nastasia is al tien jaar bezig en
heeft zojuist haar zesde plaat gelanceerd. Erg bekend is ze hier niet, maar
daar zou nu best eens verandering in kunnen gaan komen. Outlaster
begint al sterk met de single Cry, Cry, Baby. “You can have my
sixth grade picture. Can I have the one of us mooning? This work, it
won’t kill me but I’m not stronger for it. I’ve just
learned to wait it out”. Dit trage melancholieke countrynummer zet
meteen de toon voor de rest van dit album (dat al snel helemaal geen
countryplaat blijkt te zijn). Net als de wat vergelijkbare
zangeres-met-band Edith Frost put Nastasia uit de pijnlijkere kanten van
het leven. Maar wat een prachtige liedjes levert dat op! Het eerste nummer
wekt de indruk dat dit een kalme countryplaat à la Willard Grant is,
maar Outlaster is allesbehalve een ‘gewone’
singer-songwriterplaat. Nastasia’s liedjes worden namelijk niet
alleen met gitaar, bas en drums uitgevoerd. Paul Bryan (Aimee Mann, Lucinda
Williams, Grant Lee Buffalo) dirigeerde en schreef daar omheen
arrangementen voor een heel orkest. Geen makkelijke muzikale saus in de
vorm van een ‘strijkje’, maar werkelijk prachtige partijen voor
onder andere piano, cello’s, klarinetten en violen. Die orkestrale
aanpak heeft een bijzonder sterke plaat opgeleverd. Die gelaagdheid is niet
alleen erg mooi, maar je ontdekt zo ook telkens weer nieuwe dingen. Met
één keer luisteren valt deze plaat niet te behappen.
Steve Albini nam evenals bij al haar vorige platen de opnames voor zijn rekening. Dat deze fijne heldere productie in slechts vier dagen op tape stond bewijst wel dat we hier met doorgewinterde professionals te maken hebben. Jeff Parker (Tortoise) speelt ook nog gitaar, het kan niet op. The Familiar Way is met een gepassioneerde klezmervioolpartij een van de mooiste nummers. “Every day I tear a bit. From myself and from the one I love. And with each tear another stitch. There’s always something new to fix. Through the blackened air and all. Will I meet you this familiar way? Will I still keep you? You must not ask me today”. Outlaster is geen lichte kost, maar wel een must voor wie ook zo heeft genoten van Joanna Newsom’s Have one on me.
Steve Albini nam evenals bij al haar vorige platen de opnames voor zijn rekening. Dat deze fijne heldere productie in slechts vier dagen op tape stond bewijst wel dat we hier met doorgewinterde professionals te maken hebben. Jeff Parker (Tortoise) speelt ook nog gitaar, het kan niet op. The Familiar Way is met een gepassioneerde klezmervioolpartij een van de mooiste nummers. “Every day I tear a bit. From myself and from the one I love. And with each tear another stitch. There’s always something new to fix. Through the blackened air and all. Will I meet you this familiar way? Will I still keep you? You must not ask me today”. Outlaster is geen lichte kost, maar wel een must voor wie ook zo heeft genoten van Joanna Newsom’s Have one on me.
(Ninja Tune/PIAS)

Het Noorse avant-jazzorkest Jaga Jazzist heeft geen haast. Vijf jaar
hebben ze gewerkt aan hun vijfde plaat. De complexe composities waar deze
steeds van bezetting wisselende groep in grossiert schud je dan ook niet in
een paar maanden uit je mouw, dus vreemd is dat niet. Met negen bandleden
wordt er op hoog niveau gemusiceerd op onder andere sax, gitaar, trompet,
lap-steel, trombone, piano, vibrafoon, bellen, drums, synthesizers,
contrabas, fluit, marimba en klarinet. Deze plaat biedt dan ook als vanouds
een orkestraal geheel van om elkaar heen slalommende blazers, breaks,
tempowisselingen, hoogpolige klanktapijten en een laag-over-laag-over-laag
aanpak. Vijf platen lang hebben ze deze stijl verfijnd en uitgebouwd.
Verrassend is One-Armed Bandit dus niet voor wie al een of meer van
hun platen in de kast heeft.
Jazz kun je het eigenlijk niet noemen want de zorgvuldig bedachte noten laten nauwelijks ruimte voor improvisatie. Jaga Jazzist sluit aan bij enkele andere Scandinavische avant-jazzrockbands, zoals Efterklang en Slaraffenland. Die hanteren hetzelfde motto: waarom makkelijk doen als het ook moeilijk kan? Met moeilijke muziek is niets mis, zolang het maar geen doel op zich wordt (Techniek is ook niet alles). En juist daar balanceert Jaga Jazzist soms op het randje. Prognissekongen klinkt bijna alsof de show off progrockers van Don Caballero meespelen en vooral het titelnummer is nogal over the top. Rustpunten zijn er hoegenaamd niet, wat het in zijn geheel beluisteren van One-Armed Bandit een vermoeiende ervaring maakt. Dat is eigenlijk hun enige minpunt. Spelen en componeren kunnen ze als de beste, nu nog doseren. Onmisbaar voor de dynamiek, wil je de luisteraar bij de les houden. Maar dat valt niet mee als negen man voor de microfoons staan te dringen.
Sommige mensen zullen al na 3 of 4 nummers afhaken. Dat is jammer want bij vaker luisteren krijg je pas vat op alle overdaad en de plaat wordt daarmee steeds beter luisterbaar. Toccata valt op met snelle Philip Glass-achtige pianoriedels, die hypnotiserend lang doorgaan (zonder breaks dit keer), waar subtieler met toegevoegde lagen wordt gewerkt. Dat levert een van de mooiste stukken op. In Music! Dance Drama! zorgt een fijne scheurgitaar voor flink wat opschudding, al ontspoort het daar na een tijdje toch door een teveel aan ideetjes op één hoop. De negen nummers duren zo’n vijf tot negen minuten. Deze symfonische plaat doet erg aan de seventies denken, meer nog dan hun vroegere werk. Dat komt vooral door de vele synthesizers. Luister naar Bananfluer Overalt en je waant je in 1978. De seventies zijn blijkbaar niet alleen in folkrock-kringen weer helemaal hip. De plaat is wel diverser en daarom fijner dan The Stix (2003), maar ook net iets TE perfect. Jaga Jazzist klinkt soms erg academisch en loopt dan gevaar bloedeloze toonladders af te werken. Maar gelukkig blijven ze met deze balanceer-act vaak genoeg aan de goede kant van de lijn.
Jazz kun je het eigenlijk niet noemen want de zorgvuldig bedachte noten laten nauwelijks ruimte voor improvisatie. Jaga Jazzist sluit aan bij enkele andere Scandinavische avant-jazzrockbands, zoals Efterklang en Slaraffenland. Die hanteren hetzelfde motto: waarom makkelijk doen als het ook moeilijk kan? Met moeilijke muziek is niets mis, zolang het maar geen doel op zich wordt (Techniek is ook niet alles). En juist daar balanceert Jaga Jazzist soms op het randje. Prognissekongen klinkt bijna alsof de show off progrockers van Don Caballero meespelen en vooral het titelnummer is nogal over the top. Rustpunten zijn er hoegenaamd niet, wat het in zijn geheel beluisteren van One-Armed Bandit een vermoeiende ervaring maakt. Dat is eigenlijk hun enige minpunt. Spelen en componeren kunnen ze als de beste, nu nog doseren. Onmisbaar voor de dynamiek, wil je de luisteraar bij de les houden. Maar dat valt niet mee als negen man voor de microfoons staan te dringen.
Sommige mensen zullen al na 3 of 4 nummers afhaken. Dat is jammer want bij vaker luisteren krijg je pas vat op alle overdaad en de plaat wordt daarmee steeds beter luisterbaar. Toccata valt op met snelle Philip Glass-achtige pianoriedels, die hypnotiserend lang doorgaan (zonder breaks dit keer), waar subtieler met toegevoegde lagen wordt gewerkt. Dat levert een van de mooiste stukken op. In Music! Dance Drama! zorgt een fijne scheurgitaar voor flink wat opschudding, al ontspoort het daar na een tijdje toch door een teveel aan ideetjes op één hoop. De negen nummers duren zo’n vijf tot negen minuten. Deze symfonische plaat doet erg aan de seventies denken, meer nog dan hun vroegere werk. Dat komt vooral door de vele synthesizers. Luister naar Bananfluer Overalt en je waant je in 1978. De seventies zijn blijkbaar niet alleen in folkrock-kringen weer helemaal hip. De plaat is wel diverser en daarom fijner dan The Stix (2003), maar ook net iets TE perfect. Jaga Jazzist klinkt soms erg academisch en loopt dan gevaar bloedeloze toonladders af te werken. Maar gelukkig blijven ze met deze balanceer-act vaak genoeg aan de goede kant van de lijn.

De stroom aan elektronische collagemuziek blijft maar groeien. Dat levert
jaarlijks zoveel platen op dat het behoorlijk lastig is om nog boven het
maaiveld uit te steken met een herkenbare eigen stijl. Niet dat dat de
knoppendraaiers in de over de hele wereld verspreide zolderkamertjes en
studio’s wat kan schelen natuurlijk. Gelukkig maar: die weten ook wel
dat het maar al te ware cliché “alles is al gedaan” de
dood is voor elke vorm van creativiteit. Dus: laptop aan en gaan. Het
Zwitserse Dimlite is dan ook niet uniek, maar is er wel in geslaagd een
simpelweg erg lekker en swingend knip -en plakalbum te maken.
De vierde plaat van deze eenmansact, het mini-album Prismic Tops, levert nogal wat associaties op, zoals Themselves en James Pants. Maar vooral de invloed van Prefuse 73 ligt er dik bovenop. Het springerige Firevomit is een van de fijnste stukken: groovy hip hop beats, oubollige maar daarom juist weer hippe synthesizers en flarden van gesprekken er doorheen gemixt. Elbow Food heeft vanwege de vervormde stemmen en donkere sfeer wel wat weg van The Knife / Fever Ray. On the same picture had met de zwoele jazzy zangeres Elan Tamara wel een nummer van Tricky kunnen zijn. Het zijn acht erg smaakvolle tracks geworden die erin zullen gaan als koek bij de fans van het genre. En het artwork is ook meer dan in orde.
De vierde plaat van deze eenmansact, het mini-album Prismic Tops, levert nogal wat associaties op, zoals Themselves en James Pants. Maar vooral de invloed van Prefuse 73 ligt er dik bovenop. Het springerige Firevomit is een van de fijnste stukken: groovy hip hop beats, oubollige maar daarom juist weer hippe synthesizers en flarden van gesprekken er doorheen gemixt. Elbow Food heeft vanwege de vervormde stemmen en donkere sfeer wel wat weg van The Knife / Fever Ray. On the same picture had met de zwoele jazzy zangeres Elan Tamara wel een nummer van Tricky kunnen zijn. Het zijn acht erg smaakvolle tracks geworden die erin zullen gaan als koek bij de fans van het genre. En het artwork is ook meer dan in orde.

(Sub Pop / De Konkurrent)

Singer-songwriter Dee Dee en haar vriendinnen Jules, Bambi en Sandy vormen
samen de Californische Dum Dum Girls. Ze maken vrolijke noisy gitaarpop
gemodelleerd naar sixties garagerock. Na wat singles en EP’s is I
Will Be hun eerste lange plaat. De naam is een knipoog naar een album
van The Vaselines, maar ook naar Iggy Pop’s Dum Dum Boys. I Will
Be zit vol girlgroup-samenzang en overstuurde versterkers en is
behoorlijk lo-fi opgenomen. Het gitaargeluid doet hier en daar denken aan
de gruizige noisepop van Britse shoegazers uit de jaren ’80
The Jesus & Mary Chain. Rest of our lives zit vanwege het wat
tragere tempo en zwoele oehoe-achtergrondzang dicht tegen My Bloody
Valentine aan. Ze raggen er in een half uur elf liedjes doorheen. De beste
staan strategisch vooraan in de lijst, zoals de single Jail La La.
De drumster is helaas wel wat beperkt in haar repertoire. Dat gaat zo: boem
klap klap boem klap, repeat. Dat gaat na een paar nummers wel wat
vervelen.
De Dum Dum-sound mag dan erg charmant en lekker zijn, de liedjes hebben wat compositie betreft niet al te veel om het lijf. Dat is geen onkunde, maar simpelweg de punkrockmanier. Toch had er wel iets meer aan het standaard couplet-refreinwerk toegevoegd mogen worden. Dum Dum Girls begon in 2008 als Dee Dee’s soloproject en werd in 2009 pas een band, dus er kan nog van alles gebeuren. De teksten zijn meestal niet erg goed te volgen, maar daar lijkt het ook niet om te draaien bij het hippe chickies uit Los Angeles. Refrein van Bhang Bhang, I’m a Burnout: “In your head, are you dead. Bhang bhang bhang bhang, I’m a burnout.” Ze moeten het duidelijk hebben van hun coole sound en dito uitstraling. Heeft u daar genoeg aan, dan is I Will Be een prima aanschaf. Met als afsluiter ook nog een zoetgevooisde cover van Sonny Bono’s Baby, don’t go.
De Dum Dum-sound mag dan erg charmant en lekker zijn, de liedjes hebben wat compositie betreft niet al te veel om het lijf. Dat is geen onkunde, maar simpelweg de punkrockmanier. Toch had er wel iets meer aan het standaard couplet-refreinwerk toegevoegd mogen worden. Dum Dum Girls begon in 2008 als Dee Dee’s soloproject en werd in 2009 pas een band, dus er kan nog van alles gebeuren. De teksten zijn meestal niet erg goed te volgen, maar daar lijkt het ook niet om te draaien bij het hippe chickies uit Los Angeles. Refrein van Bhang Bhang, I’m a Burnout: “In your head, are you dead. Bhang bhang bhang bhang, I’m a burnout.” Ze moeten het duidelijk hebben van hun coole sound en dito uitstraling. Heeft u daar genoeg aan, dan is I Will Be een prima aanschaf. Met als afsluiter ook nog een zoetgevooisde cover van Sonny Bono’s Baby, don’t go.

(Excalibur Music / Clear Spot)

Het kleine provinciestadje Oudewater was eind jaren ’80 nog een bier
drinkend bluesrockbastion. Hoe dat tegenwoordig is weet ik sinds mijn
verhuizing naar Rotterdam niet. Dat daar twintig jaar eerder heel andere
muziek gemaakt werd, is natuurlijk logisch. Maar dat er nog eens een
Oudewaterse folkzangeres-componiste herontdekt zou worden, dat is toch een
verrassing.
Het Amsterdamse Excalibur Music heeft onlangs de muziek van Anneke Konings op cd opnieuw uitgebracht. Die verdient het namelijk wel om uit het zwarte gat van de geschiedenis gered te worden. Wat meteen opvalt is haar krachtige zuivere stem en de gepassioneerd gebrachte teksten. Ook de orkestrale aankleding met viool, hobo, cello, piano en fluit is erg smaakvol en zit goed in elkaar. Tussen Boudewijn de Groot, Melanie en Shocking Blue in slaat bepaald geen slecht figuur. Naast akoestische gitaarliedjes wordt er ook stevig elektrisch gefolkrocked, wat een veelzijdige cd heeft opgeleverd. En dat voor een vrouw van nog geen twintig! Lovers, bye bye is een van de beste nummers, een pittig stukje psychedelische folk. Haar eerste liedjes zong ze in het Nederlands. Op Feelings (’72) stapt ze over op Engels, gelukkig zonder Nederlands accent. In 1975 keerde ze op Tussen zon en maan terug naar Nederlands. Maar in welke taal ze ook zong, de poëtische huzarenstukjes gingen het mainstream publiek en de radio dj’s duidelijk boven de pet, ook al probeerde Munich Records er destijds een groot publiek mee te bereiken. Dit was duidelijk flowerpowerfolk voor fijnproevers. Vanaf nummer 10 van de cd beland je plots midden in het hippiegedachtengoed van begin jaren ’70: in het Nederlands komt de naieve pure Anneke toch een stuk directer binnen. Terwijl Joni Mitchell in Big Yellow Taxi zong over hoe het paradijs geasfalteerd werd tot parkeerplaats doet Anneke het in De heilige auto nog eens dunnetjes over. Ze won er Rodeo songcontest op tv mee en de single was snel uitverkocht.
Het engagement spat er vanaf in Eenheid: “Ik weet, oorlog gaat met wapens.” Ze gaat tekeer tegen harten van steen, hypocrisie, geklaag en egoïsme en heeft medelijden met “mensen die nog niet zover zijn”. Je krijgt bijna kromme tenen van plaatvervangende schaamte, maar waarom eigenlijk? Het feit dat het ontbreken van ironie en gêne hier zo opvalt zegt natuurlijk net zoveel over onze tijd als over 1972. Destijds kon je nog oprecht geloven dat wereldvrede bereikbaar was, als je er maar hard genoeg voor vocht, gepassioneerd genoeg voor zong in dit geval. Anno 2010 zijn we door de media zo murw gebombardeerd met oorlogsbeelden dat we ons geen illusies meer maken. Wie durft er nu nog een lied te schrijven met de titel Liefde overwint? Ze stelt zich kwetsbaar op door haar ziel en zaligheid in de microfoon te gieten, maar sentimenteel wordt het nergens, wel intiem. Anneke’s leven was niet louter wierookgeur en maneschijn. Zij had zo ook haar Desillusie, een van de heftigste intieme nummers vol hartzeer. “Mijn doel was toch om jou gelukkig te maken. Waarom moest het lot mij dan zo hard raken?” Ze ging ook na 1975 door met liedjes schrijven en zong onder andere in de Goudse band Dandylion. Het verdere verloop van haar leven en werk kunt u lezen in het uitgebreide cd-boekje. Feelings & Fairytales is een waardevolle aanvulling op de Nederpopgeschiedenis en hier en daar behoorlijk indrukwekkend.
Het Amsterdamse Excalibur Music heeft onlangs de muziek van Anneke Konings op cd opnieuw uitgebracht. Die verdient het namelijk wel om uit het zwarte gat van de geschiedenis gered te worden. Wat meteen opvalt is haar krachtige zuivere stem en de gepassioneerd gebrachte teksten. Ook de orkestrale aankleding met viool, hobo, cello, piano en fluit is erg smaakvol en zit goed in elkaar. Tussen Boudewijn de Groot, Melanie en Shocking Blue in slaat bepaald geen slecht figuur. Naast akoestische gitaarliedjes wordt er ook stevig elektrisch gefolkrocked, wat een veelzijdige cd heeft opgeleverd. En dat voor een vrouw van nog geen twintig! Lovers, bye bye is een van de beste nummers, een pittig stukje psychedelische folk. Haar eerste liedjes zong ze in het Nederlands. Op Feelings (’72) stapt ze over op Engels, gelukkig zonder Nederlands accent. In 1975 keerde ze op Tussen zon en maan terug naar Nederlands. Maar in welke taal ze ook zong, de poëtische huzarenstukjes gingen het mainstream publiek en de radio dj’s duidelijk boven de pet, ook al probeerde Munich Records er destijds een groot publiek mee te bereiken. Dit was duidelijk flowerpowerfolk voor fijnproevers. Vanaf nummer 10 van de cd beland je plots midden in het hippiegedachtengoed van begin jaren ’70: in het Nederlands komt de naieve pure Anneke toch een stuk directer binnen. Terwijl Joni Mitchell in Big Yellow Taxi zong over hoe het paradijs geasfalteerd werd tot parkeerplaats doet Anneke het in De heilige auto nog eens dunnetjes over. Ze won er Rodeo songcontest op tv mee en de single was snel uitverkocht.
Het engagement spat er vanaf in Eenheid: “Ik weet, oorlog gaat met wapens.” Ze gaat tekeer tegen harten van steen, hypocrisie, geklaag en egoïsme en heeft medelijden met “mensen die nog niet zover zijn”. Je krijgt bijna kromme tenen van plaatvervangende schaamte, maar waarom eigenlijk? Het feit dat het ontbreken van ironie en gêne hier zo opvalt zegt natuurlijk net zoveel over onze tijd als over 1972. Destijds kon je nog oprecht geloven dat wereldvrede bereikbaar was, als je er maar hard genoeg voor vocht, gepassioneerd genoeg voor zong in dit geval. Anno 2010 zijn we door de media zo murw gebombardeerd met oorlogsbeelden dat we ons geen illusies meer maken. Wie durft er nu nog een lied te schrijven met de titel Liefde overwint? Ze stelt zich kwetsbaar op door haar ziel en zaligheid in de microfoon te gieten, maar sentimenteel wordt het nergens, wel intiem. Anneke’s leven was niet louter wierookgeur en maneschijn. Zij had zo ook haar Desillusie, een van de heftigste intieme nummers vol hartzeer. “Mijn doel was toch om jou gelukkig te maken. Waarom moest het lot mij dan zo hard raken?” Ze ging ook na 1975 door met liedjes schrijven en zong onder andere in de Goudse band Dandylion. Het verdere verloop van haar leven en werk kunt u lezen in het uitgebreide cd-boekje. Feelings & Fairytales is een waardevolle aanvulling op de Nederpopgeschiedenis en hier en daar behoorlijk indrukwekkend.

Een avond met John Lennon-liedjes
Maandagavond vond de Nowhere Boy - A night with John Lennon avond
plaats in de Melkweg te Amsterdam. Nederlandse artiesten als Beatrice van
der Poel, Daniël Boissevain, Marcel de Groot en Tim Knol zongen een
liedje van Lennon. Popprofessor Leo Blokhuis praatte de vertolkingen aan
elkaar.
De avond was georganiseerd door Het Parool en A-film, de distributeur van de film Nowhere Boy, over de jonge dagen van Lennon, geregisseerd door de Engelse regisseuse Sam Taylor-Wood. Helaas kon ik niet bij de filmvertoningen zijn, die waren uitverkocht voordat de inkt op de kaartjes droog was. Ik was wel bij de optredens, in een afgeladen Grote Zaal in de Melkweg. En ik heb genoten.
Sinds ik The Beatles als 12-jarige ontdekte op de zolderkamer heb ik al een zwak voor de meest rebelse Beatle en de liefde en bewondering nam in de afgelopen jaren alleen maar toe. Toen ik vorig jaar maart in New York was heb ik dan ook Het Dakota Building bezocht en Strawberry Fields in Central Park, een eerbetoon aan Lennon die jarenlang in New York woonde.

Wat de optredens maandagavond vooral duidelijk maakten is hoe krachtig Lennons composities zijn en hoe sprekend zijn teksten. Ook nu nog. Of moet ik zeggen juist nu nog, want de boodschap van Vrede in de wereld, maar ook de meer persoonlijke verhalen die in zijn liedjes zitten, zijn nu nog net zo relevant als toen. Dat vond het publiek dat de meeste teksten uit volle borst meezong, ook.
Jammer dus dat de artiesten, die allen twee liedjes ten gehore brachten, vaak moesten spieken van een blaadje. En dan nog kwamen de teksten er niet altijd foutloos uit. Ja, ja, noem mij een purist. Het stond gewoon slordig, onvoorbereid.
En dat terwijl de vertolkingen van sommige artiesten indrukwekkend waren. Tim Knol stal ieders hart met zijn vertolkingen van 'Love' en in de tweede set 'Jealous Guy'. De jongen uit Hoorn met het aparte zachte stemgeluid kreeg de hele zaal stil. Kees Prins was een leuke verrassing met 'A Hard Days Night' en 'Nowhere Man'.
Henk Hofstede waagde zich aan 'Strawberry Fields' en 'I am the Walrus'. Het was apart om deze studionummers live te horen. Dat gold ook voor 'Tomorrow Never Knows' uitgevoerd door Leona - een gewaagd stukje waarbij de redelijk in de buurt wist te komen van Beatle-soundtrack, inclusief achterstevoren klinkende gitaar.
Overigens meneer Hofstede, John zong aan het einde van 'Strawberry Fields' "cranberry sauce", niet "I buried Paul" wat u maandag zo ludiek aan het einde van het liedje zong. Ken uw klassiekers.
Het ging nog even mis toen Annet Malherbe te hard op de bel sloeg en deze op het podium tuimelde, een fles water omstootte en het publiek nat spatte. Niet dat dit echt de pret drukte. Rock-'n-roll in de polder, weet je wel.
De avond werd afgesloten met 'The Ballad of John and Yoko' en dat was tot mijn opluchting het enige wat over Yoko hoorden. Gelukkig haalde niemand het in zijn hoofd om een imitatie Yoko neer te zetten, want hoeveel ik Lennon ook bewonder en van zijn muziek kan genieten, het feit dat hij zijn vrouw liet mee blèren op sommige tracks mag toch zeker als een dwaling worden gezien. Ach, imperfectie is wat helden menselijk maakt. En Lennon blijft een held. Ook dertig jaar na zijn voortijdige dood.
Lees ook de recensie van Nowhere Boy.
De avond was georganiseerd door Het Parool en A-film, de distributeur van de film Nowhere Boy, over de jonge dagen van Lennon, geregisseerd door de Engelse regisseuse Sam Taylor-Wood. Helaas kon ik niet bij de filmvertoningen zijn, die waren uitverkocht voordat de inkt op de kaartjes droog was. Ik was wel bij de optredens, in een afgeladen Grote Zaal in de Melkweg. En ik heb genoten.
Sinds ik The Beatles als 12-jarige ontdekte op de zolderkamer heb ik al een zwak voor de meest rebelse Beatle en de liefde en bewondering nam in de afgelopen jaren alleen maar toe. Toen ik vorig jaar maart in New York was heb ik dan ook Het Dakota Building bezocht en Strawberry Fields in Central Park, een eerbetoon aan Lennon die jarenlang in New York woonde.

Wat de optredens maandagavond vooral duidelijk maakten is hoe krachtig Lennons composities zijn en hoe sprekend zijn teksten. Ook nu nog. Of moet ik zeggen juist nu nog, want de boodschap van Vrede in de wereld, maar ook de meer persoonlijke verhalen die in zijn liedjes zitten, zijn nu nog net zo relevant als toen. Dat vond het publiek dat de meeste teksten uit volle borst meezong, ook.
Jammer dus dat de artiesten, die allen twee liedjes ten gehore brachten, vaak moesten spieken van een blaadje. En dan nog kwamen de teksten er niet altijd foutloos uit. Ja, ja, noem mij een purist. Het stond gewoon slordig, onvoorbereid.
En dat terwijl de vertolkingen van sommige artiesten indrukwekkend waren. Tim Knol stal ieders hart met zijn vertolkingen van 'Love' en in de tweede set 'Jealous Guy'. De jongen uit Hoorn met het aparte zachte stemgeluid kreeg de hele zaal stil. Kees Prins was een leuke verrassing met 'A Hard Days Night' en 'Nowhere Man'.
Henk Hofstede waagde zich aan 'Strawberry Fields' en 'I am the Walrus'. Het was apart om deze studionummers live te horen. Dat gold ook voor 'Tomorrow Never Knows' uitgevoerd door Leona - een gewaagd stukje waarbij de redelijk in de buurt wist te komen van Beatle-soundtrack, inclusief achterstevoren klinkende gitaar.
Overigens meneer Hofstede, John zong aan het einde van 'Strawberry Fields' "cranberry sauce", niet "I buried Paul" wat u maandag zo ludiek aan het einde van het liedje zong. Ken uw klassiekers.
Het ging nog even mis toen Annet Malherbe te hard op de bel sloeg en deze op het podium tuimelde, een fles water omstootte en het publiek nat spatte. Niet dat dit echt de pret drukte. Rock-'n-roll in de polder, weet je wel.
De avond werd afgesloten met 'The Ballad of John and Yoko' en dat was tot mijn opluchting het enige wat over Yoko hoorden. Gelukkig haalde niemand het in zijn hoofd om een imitatie Yoko neer te zetten, want hoeveel ik Lennon ook bewonder en van zijn muziek kan genieten, het feit dat hij zijn vrouw liet mee blèren op sommige tracks mag toch zeker als een dwaling worden gezien. Ach, imperfectie is wat helden menselijk maakt. En Lennon blijft een held. Ook dertig jaar na zijn voortijdige dood.
Lees ook de recensie van Nowhere Boy.
Laurie Anderson & Basel Sinfonietta
21 maart in De Doelen, Rotterdam
De koeienletters op de concertposter lieten er geen twijfel over bestaat:
Laurie Anderson zou de ster zijn van dit avondvullende programma vol nieuwe
Amerikaanse muziek. Het begon met een spektakelstuk van adhd-componist John
Zorn: For Your Eyes Only. Humorvol en entertaining. Modern
gecomponeerd betekende deze avond vooral VEEL en HARD, een geluidsstorm
waar de afzonderlijke instrumenten vaak amper meer te horen waren, wat
natuurlijk de bedoeling was. Geen pretje voor een tinnituslijder in ieder
geval. Maar ik dwaal af: waar was Laurie Anderson? Na lang wachten zette
het orkest Fratres in, een alom geliefd stuk van Arvo Pärt.
Anderson legde er een tekst overheen, met de bekende trage dictie en
perfecte timing. Dat ze haar vocoder in zou zetten viel natuurlijk te
verwachten, maar niet dat ze zo goed als onverstaanbaar zou zijn. De
zaallichten gingen aan; het was de bedoeling dat er meegelezen zou worden.
Als het kopen van programmaboekjes niet in je systeem zit heb je dan wel
een probleem. Want juist Anderson’s droogkomische teksten heb ik
altijd haar sterkste punt gevonden, meer nog dan haar muziek. Maar
Fratres is natuurlijk verre van grappig. Wat ik nog net opving:
“When you lose your country, you lose your heart.”
Na de pauze bracht Anderson het tragische reisverhaal van Amelia Earhart, die als eerste vliegenier in 1935 over de Stille Oceaan vloog. Anderson praatte nu gelukkig zonder vocoder, maar was in fluistermodus nog steeds niet optimaal te volgen. Haar gebruik van de elektrische viool was wel een welkom rustpunt na al het orkestrale geweld, maar tegelijk ook wat braaf. Het synthesizertapijtje eronder was zelfs behoorlijk duf. Hier had ik toch meer van verwacht. Met dit tweede stuk was Anderson’s inbreng meteen ten einde. Conclusie: geen ster van de avond dus, maar een wat fletse bijrol. Fans van Het Basel hadden een prima avond, afgaand op het gejoel en geklap na afloop van het apocalyptische Dystopia (Gordon). Voor Anderson-adepten was het beduidend minder.
Na de pauze bracht Anderson het tragische reisverhaal van Amelia Earhart, die als eerste vliegenier in 1935 over de Stille Oceaan vloog. Anderson praatte nu gelukkig zonder vocoder, maar was in fluistermodus nog steeds niet optimaal te volgen. Haar gebruik van de elektrische viool was wel een welkom rustpunt na al het orkestrale geweld, maar tegelijk ook wat braaf. Het synthesizertapijtje eronder was zelfs behoorlijk duf. Hier had ik toch meer van verwacht. Met dit tweede stuk was Anderson’s inbreng meteen ten einde. Conclusie: geen ster van de avond dus, maar een wat fletse bijrol. Fans van Het Basel hadden een prima avond, afgaand op het gejoel en geklap na afloop van het apocalyptische Dystopia (Gordon). Voor Anderson-adepten was het beduidend minder.

(Bassick / Clear Spot)

Rond 1990 zorgde het Texaanse Magnapop met hun titelloze debuut voor een
kleine sensatie in het Nederlandse club- en festivalcircuit. Fijne
meezingbare punkpop, met de nadruk op pop. Het gruizige gitaargeluid van
Ruthie Morris en de charmante podiumpersoonlijkheid en pakkende teksten van
Linda Hopper (refreinen meegezongen door bassist Scott Rowe) waren enorm
aanstekelijk. Pas na de zegetocht door Europa braken ze door in de VS. Maar
na Hot Boxing (’94) en Rubbing doesn’t help
(’96) bleef het lang stil. De hype mocht dan overgewaaid zijn aan
deze kant van de oceaan, de band ging vrolijk voort. Mouthfeel uit
2005 bleef goeddeels onder de radar.
Na alweer vijf jaar radiostilte zijn ze nu terug met Chase Park. Ze zijn tot vandaag aan toe trouw gebleven aan het Magnapoprecept: vrolijke up-tempo liedjes met niet teveel akkoorden, lekker vuige gitaren en veel samenzang. De plaat wordt gedistribueerd door Clear Spot, dat veel in retromuziek doet. Een veeg teken? Magnapop is nog net geen retro, maar nostalgisch is de plaat zeker voor wie begin jaren ’90 een fan was. Bangkok is één van de leukste liedjes met “Can’t you turn it off, can’t you turn it down when I’m around”. Enige minpunt: de plaat is wel een herhalingsoefening. Ze hangen duidelijk een zelfde filosofie aan als The Ramones destijds: Never change a winning team. De fans zal het natuurlijk worst wezen, die zijn blij met deze onverwachte comeback. En terecht: met deze erg catchy plaat steken ze ondanks dat ze over hun hoogtepunt heen zijn nog altijd boven de gemiddelde USA-garagerockband uit. Op de afsluiter Need more doen ze nog een poging tot een ballad, met een violist die flink moet opboksen tegen het volume. Magnapop forever, aan hen zal het niet liggen.
Na alweer vijf jaar radiostilte zijn ze nu terug met Chase Park. Ze zijn tot vandaag aan toe trouw gebleven aan het Magnapoprecept: vrolijke up-tempo liedjes met niet teveel akkoorden, lekker vuige gitaren en veel samenzang. De plaat wordt gedistribueerd door Clear Spot, dat veel in retromuziek doet. Een veeg teken? Magnapop is nog net geen retro, maar nostalgisch is de plaat zeker voor wie begin jaren ’90 een fan was. Bangkok is één van de leukste liedjes met “Can’t you turn it off, can’t you turn it down when I’m around”. Enige minpunt: de plaat is wel een herhalingsoefening. Ze hangen duidelijk een zelfde filosofie aan als The Ramones destijds: Never change a winning team. De fans zal het natuurlijk worst wezen, die zijn blij met deze onverwachte comeback. En terecht: met deze erg catchy plaat steken ze ondanks dat ze over hun hoogtepunt heen zijn nog altijd boven de gemiddelde USA-garagerockband uit. Op de afsluiter Need more doen ze nog een poging tot een ballad, met een violist die flink moet opboksen tegen het volume. Magnapop forever, aan hen zal het niet liggen.