Uit je cowboyhoed met Bob Wayne and The Outlaw Carnies
02-02-2011 20:00
Niet alleen kan Kito een aardig cartoontje tekenen (zie hieronder), hij
is ook nog eens organisator van diverse festivals waarin bluegrass een
opmerkelijke hoofdrol speelt. En The Bluegrass Outlaw Party, in de nieuwe
Rotterdamse club Heidegger (Grotekerkplein 70), belooft een bijzonder
evenement te worden: er zijn optredens van The Fournicators
(hillbillypunkgrass uit Rotterdam met leden van The Uke Box) en Jesus Evil
Highway, een rauwe combinatie van western swing, bluegrass en outlaw
country met een diepzwart randje, eveneens uit Rotterdam.
De hoofdact is Bob Wayne and The Outlaw Carnies uit Amerika: 'truck driven, gun totin, meth snortin, true American Bluegrass,' aldus de heren zelf. Bobs referenties zijn in orde: hij is roadie geweest bij Hank Williams III (voor wie twijfelt of zoiets nou écht referenties oplevert: Lemmy Kilmister was ooit roadie bij Jimi Hendrix).
Verder wordt de muziekfilm You see me laughin’ van Mandy Stein vertoond, over de levens van onder andere R.L. Burnside, Junior Kimbrough en T-Model Fordand. Bluegrass is al jaren niet dood, het ruikt zelfs weer helemaal fris.
Kaartjes kosten €10,00, de avond begint om 20.00 uur,
De hoofdact is Bob Wayne and The Outlaw Carnies uit Amerika: 'truck driven, gun totin, meth snortin, true American Bluegrass,' aldus de heren zelf. Bobs referenties zijn in orde: hij is roadie geweest bij Hank Williams III (voor wie twijfelt of zoiets nou écht referenties oplevert: Lemmy Kilmister was ooit roadie bij Jimi Hendrix).
Verder wordt de muziekfilm You see me laughin’ van Mandy Stein vertoond, over de levens van onder andere R.L. Burnside, Junior Kimbrough en T-Model Fordand. Bluegrass is al jaren niet dood, het ruikt zelfs weer helemaal fris.
Kaartjes kosten €10,00, de avond begint om 20.00 uur,

Vraag en antwoord (deel 1)

What Difference Does It Make? vroegen The Smiths zich in 1984 af.
Vijf jaar later gaf Morrissey op de B-kant van zijn post-Smiths-single
Interesting Drug zélf het antwoord: Such A Little Thing
Makes Such A Big Difference.
Nog meer vragen in songtitels, mét antwoord:
Q: Who Slapped John? (Gene Vincent, 1956)
A: It Wasn’t Me (Chuck Berry, 1965)
Q: Who Do You Love? (Bo Diddley, 1956)
A: I Love My Dog (Cat Stevens, 1966)
Q: How Much Is That Doggie In The Window? (Patti Page, 1960)
A: You Can Have Him (Nina Simone, 1963)
Q: Is This What I Get For Loving You? (The Ronettes, 1965)
A: Yes It Is (The Beatles, 1965)
Q: Do You Believe In Magic? (The Lovin’ Spoonful, 1966)
A: I Believe I Can Fly (R. Kelly, 1996)
Q: Are You Experienced? (Jimi Hendrix, 1967)
A: I’m Not Stupid (Tori Amos, 2007)
Q: Anyone For Tennis? (Cream, 1968)
A: Everyone’s Gone To The Movies (Steely Dan, 1975)
Q: Do You Wanna Touch Me? (Gary Glitter, 1973)
A: I Touch Myself (Divinyls, 1991)
Q: D’ya Think I’m Sexy? (Rod Stewart, 1978)
A: I Don’t Think So! (Gracia, 2003)
Q: Is It Love You’re After? (Rose Royce, 1979)
A: It’s Yer Money I’m After Baby (The Wonder Stuff, 1988)
Q: Are ‘Friends’ Electric? (Gary Numan, 1979)
A: Friends Are... (Per Mission, 2001)
Q: What’s So Funny ‘Bout Peace, Love And Understanding (Elvis Costello & The Attractions, 1979)
A: It Makes Me Laugh (Bullyrag, 1998)
Q: Who’s laughing now? (Skinny Puppy, 1986)
A: Bad Mood Guy (Severed Heads, 1987)
Q: Where Did It Go? (Burt Bacharach, 2005)
A: It Went This Way (Kaboose, 2008)
Als bonus een vraag met wedervraag:
Q: Am I That Easy To Forget? (Debbie Reynolds, 1960)
A: Who are you? (The Who, 1978)
In de afdeling ongeldig (want incorrecte chronologie), maar leuk:
Q: When will I See You Again? (Three Degrees, 1974)
A: When I'm Sixty-four (The Beatles, 1967)
Q: Who's That Girl? (Madonna, 1987)
A: Lady Madonna (The Beatles, 1968)
U kent er vast nog wel een paar. En daar zijn wij dus vreselijk nieuwsgierig naar.
(Met dank aan Eric van der Heijden, Robert van der Kroft en Marcel Ruijters)
Nog meer vragen in songtitels, mét antwoord:
Q: Who Slapped John? (Gene Vincent, 1956)
A: It Wasn’t Me (Chuck Berry, 1965)
Q: Who Do You Love? (Bo Diddley, 1956)
A: I Love My Dog (Cat Stevens, 1966)
Q: How Much Is That Doggie In The Window? (Patti Page, 1960)
A: You Can Have Him (Nina Simone, 1963)
Q: Is This What I Get For Loving You? (The Ronettes, 1965)
A: Yes It Is (The Beatles, 1965)
Q: Do You Believe In Magic? (The Lovin’ Spoonful, 1966)
A: I Believe I Can Fly (R. Kelly, 1996)
Q: Are You Experienced? (Jimi Hendrix, 1967)
A: I’m Not Stupid (Tori Amos, 2007)
Q: Anyone For Tennis? (Cream, 1968)
A: Everyone’s Gone To The Movies (Steely Dan, 1975)
Q: Do You Wanna Touch Me? (Gary Glitter, 1973)
A: I Touch Myself (Divinyls, 1991)
Q: D’ya Think I’m Sexy? (Rod Stewart, 1978)
A: I Don’t Think So! (Gracia, 2003)
Q: Is It Love You’re After? (Rose Royce, 1979)
A: It’s Yer Money I’m After Baby (The Wonder Stuff, 1988)
Q: Are ‘Friends’ Electric? (Gary Numan, 1979)
A: Friends Are... (Per Mission, 2001)
Q: What’s So Funny ‘Bout Peace, Love And Understanding (Elvis Costello & The Attractions, 1979)
A: It Makes Me Laugh (Bullyrag, 1998)
Q: Who’s laughing now? (Skinny Puppy, 1986)
A: Bad Mood Guy (Severed Heads, 1987)
Q: Where Did It Go? (Burt Bacharach, 2005)
A: It Went This Way (Kaboose, 2008)
Als bonus een vraag met wedervraag:
Q: Am I That Easy To Forget? (Debbie Reynolds, 1960)
A: Who are you? (The Who, 1978)
In de afdeling ongeldig (want incorrecte chronologie), maar leuk:
Q: When will I See You Again? (Three Degrees, 1974)
A: When I'm Sixty-four (The Beatles, 1967)
Q: Who's That Girl? (Madonna, 1987)
A: Lady Madonna (The Beatles, 1968)
U kent er vast nog wel een paar. En daar zijn wij dus vreselijk nieuwsgierig naar.
(Met dank aan Eric van der Heijden, Robert van der Kroft en Marcel Ruijters)
This ain’t no party! This ain’t no disco!

Het is niet de meest logische keuze om stoelen te plaatsen tijdens een concert dat uitnodigt tot dansen. Maar het heeft in elk geval één groot voordeel: stoelen = theater = je klep houden als er op het podium iemand zingt! En van David Byrne mócht er trouwens best gedanst worden, ook al waren de stoelen er op zijn eigen - beleefde doch dringende - verzoek neergezet, en kon je tussen die krengen je kont niet keren. Van Byrne mocht je ook net zoveel foto’s maken als je wilde met je mobiel of digiritsratsklik, al had hij ‘a word of technical advise for those in the back: a flash probably won’t do any good.’ Verder: ‘We’re here to facilitate you.’ En hoe.
Voor wie zich bij de naam David Byrne achter de oren krabt: van 1977 tot 1988 was hij de drijvende kracht achter het New Yorkse Talking Heads, die in hun 12-jarig bestaan laveerden tussen kunstacademiepunk, new wave, funk, wereldmuziek, americana en pure gitaarpop. Daarnaast (en daarna) onderhield Byrne een solocarrière die evengoed alle hoeken van het universum verkende: balletmuziek, opera, Latijns-Amerikaanse dansmuziek en ambient, om maar een greep te doen.
Veel van het beste dat Byrne op plaat zette, kwam echter vooral voort uit de samenwerking met Brian Eno aan het eind van de jaren 70: van de Talking Heads-platen More Songs About Buildings and Food, Fear of Music en Remain in Light tot het polyritmische electro-ambient-avontuur My Life in The Bush Of Ghosts, waarmee Byrne en Eno het begrip sample op de kaart zette. Geen wonder dat het zwaartepunt van de set op die samenwerkingen lag - en nee, dat is geen nostalgie of cashing in, maar een terugkeer naar een stuk geschiedschrijving (en het besef dat zijn meeste soloplaten nét of helemaal niet dat niveau haalden). Het publiek, waaronder veel middelbaar met vleespetten, kende zijn geschiedenislesjes goed: ‘And you may ask yourself, well, how did I get here?’
Het is net als bij andere artiesten die weer plezier vinden in het spelen van hun ‘jeugdzonden’ (van Morrissey tot McCartney): de jarenlange podiumervaring in combinatie met muzikanten wier vakmanschap dat van de oorspronkelijke bands (Smiths, Beatles, Talking Heads) overstijgen, verlenen oude songs een onverwacht nieuwe grandeur. En als je zoals Byrne een schoenendoos of vijf hebt om uit te putten… Zo ging het tandem Heaven/Air van Fear of Music door merg en been, een lichamelijke, welhaast religieuze ervaring die echt niet alleen te wijten was aan het zuurstofgebrek in de tot de nok gevulde Rabozaal. Born Under Punches (The Heat Goes On), Life During Wartime , zelfs schier onmogelijk live te spelen materiaal van My Life in The Bush Of Ghosts: het klonk allemaal alsof het gisteren is geschreven in plaats van 30 jaar terug.
Een concert dus om door een ringetje te halen, een enkele uitglijder uitgezonderd; Home, van de recente Byrne/Eno-collaboratie Everything That Happens Will Happen Today, is dan misschien een muzikaal uitstapje dat Byrne nou eenmaal móést proberen, maar deze draak zou zelfs voor BZN nog te palingpop zijn. Gelukkig, het briljante I Feel My Stuff, van diezelfde plaat, vormde het hoognodige tegengif tegen deze stinker. En beroepsnerd Byrne mag zijn quirkiness dan grotendeels hebben verloren, en zijn neurotische falset en coupe brunette alweer jaren terug hebben ingeruild voor een natuurlijker stemgeluid en een spierwitte borstelkop, zijn theatrale streken is hij niet kwijt. Drie dansers, ‘kleinkunstacademie’ in grote rode letters op hun voorhoofd geschreven, buitelden over het podium, Byrne, band en elkaar. Maar dat gaf niet, het klopte zelfs wel: Byrne zelf was immers de grootste clown. En nee, die tutu’s tijdens Burning Down The House, die zagen we niet aankomen.

(Ape/Bertus)

Op 1 april 1985 werd de wereld verrast door de mini-lp 25 O’
Clock, een meesterwerk van de tot dan toe onbekende psychpopband The
Dukes Of Stratosphear, dat ergens twintig jaar in een studio had liggen
verstoffen. Ha, kikker in je bil! The Dukes bleken niemand minder dan XTC,
de postpunk-Beatles uit Swindon. 25 O’ Clock was gestoken in
een hoes die het midden hield tussen Creams Disraeli Gears en Terry
Giliam. De plaat zelf was de grap echter ver voorbij, want de liefde voor
psychedelica bleek meer dan oprecht; de muziek, overduidelijk
geïnspireerd op o.a. The Move, Pink Floyd (Syd Barret, niet Roger
Waters), Tomorrow en The Electric Prunes, was veel meer dan slechts een
pastiche. De hypnotiserende titelsong, het nonsensicale Bike Ride To The
Moon en het freakerige My Love Explodes behoorden tot het
opwindendste dat Andy Partridge, Colin Moulding en Dave Gregory in de
laatste jaren op plaat hadden gezet. 25 O’ Clock verkocht dan ook
beter dan de laatste twee officiële XTC-platen. Een opvolger kon niet
uitblijven, en in ’87 verscheen de volwaardige lp Psonic
Psunspot,
Hoewel Psonic Psunspot prachtige momenten kent, zoals de Hollies-ode Vanishing Girl en de Good Vibrations-achtige afsluiter Pale And Precious, was de verrassing eraf en klonk de plaat stukken tammer dan het debuut. Curieus was de keuze voor de single, You’re a Good Man Albert Brown (Curse You Red Barrel). Het ‘Ringo-moment’ op de plaat heeft meer weg van een weggelopen carnavalskraker dan van de beoogde satire op het Engelse burgermansleven - er loopt een dunne scheidslijn tussen Ray Davies en Arie Ribbens.
Dat soort kleine uitglijders daargelaten, hebben de ‘Dukes’ bescheiden popgeschiedenis geschreven. En die is nu weer in volle geremasterde glorie te beluisteren. Vooruitlopend op een heruitgave van het volledige XTC-oeuvre, van White Music uit 1978 tot Wasp Star uit 2000, zijn 25 O’ Clock en Psonic Psunspot opnieuw uitgebracht op Partridge’s eigen Ape-label, aangevuld met demo’s, extra tracks en video’s (die mijn iMac vreemd genoeg niet wil oppikken). 25 O’ Clock is zoals gezegd de interessantste van de twee, ook vanwege de drie obscure Dukes-songs, waarvan Open A Can Of Human Beans nog het meest openlijk als XTC klinkt. Was die song al eerder op een Fuzzy Warbles-compilatie te vinden, de rest van de bonustracks komt allemaal vers uit de archieven. Dat belooft wat voor de komende XTC-reissues.
Releasedatum: 20 april
Hoewel Psonic Psunspot prachtige momenten kent, zoals de Hollies-ode Vanishing Girl en de Good Vibrations-achtige afsluiter Pale And Precious, was de verrassing eraf en klonk de plaat stukken tammer dan het debuut. Curieus was de keuze voor de single, You’re a Good Man Albert Brown (Curse You Red Barrel). Het ‘Ringo-moment’ op de plaat heeft meer weg van een weggelopen carnavalskraker dan van de beoogde satire op het Engelse burgermansleven - er loopt een dunne scheidslijn tussen Ray Davies en Arie Ribbens.
Dat soort kleine uitglijders daargelaten, hebben de ‘Dukes’ bescheiden popgeschiedenis geschreven. En die is nu weer in volle geremasterde glorie te beluisteren. Vooruitlopend op een heruitgave van het volledige XTC-oeuvre, van White Music uit 1978 tot Wasp Star uit 2000, zijn 25 O’ Clock en Psonic Psunspot opnieuw uitgebracht op Partridge’s eigen Ape-label, aangevuld met demo’s, extra tracks en video’s (die mijn iMac vreemd genoeg niet wil oppikken). 25 O’ Clock is zoals gezegd de interessantste van de twee, ook vanwege de drie obscure Dukes-songs, waarvan Open A Can Of Human Beans nog het meest openlijk als XTC klinkt. Was die song al eerder op een Fuzzy Warbles-compilatie te vinden, de rest van de bonustracks komt allemaal vers uit de archieven. Dat belooft wat voor de komende XTC-reissues.
Releasedatum: 20 april
